De nieuwe Duitse 'cultuurminister' Wolfram Weimer toont zich een vileine pestkop van radicaal-rechts. Hoelang houdt hij dat vol?
In dit artikel:
Wolfram Weimer is sinds de start van de huidige Duitse regering aangesteld als staatsminister voor Cultuur en Media, een partijloos staatssecretarispost die rechtstreeks aan bondskanselier Friedrich Merz rapporteert. De 61‑jarige mediaman — oprichter van tijdschrift Cicero en eigenaar van de Weimer Media Group — profileert zich als conservatief cultuurwoordvoerder van de coalitie, maar tegelijkertijd als een felle tegenstander van de radicaal‑rechtse AfD. Zijn combinatie van zakelijke flair, journalistieke ervaring en politieke ambitie heeft hem snel tot een zichtbare, maar omstreden speler in Berlijn gemaakt.
Inhoudelijk houdt Weimer vast aan een dubbelheid die zijn benoeming kenmerkt. Aan de ene kant verdedigt hij klassieke cultuurwaarden, pleit hij voor esthetiek en vrijheid van kunst en heeft hij zich publiekelijk verzet tegen wat hij ziet als ‘wokeness’. Aan de andere kant gebruikt hij cultuurpolitiek expliciet als instrument tegen de AfD: hij reageert scherp op rechtse kritiek op evenementen (zoals de Bauhaus‑viering), benadrukt herinneringspolitiek rond Holocaust en DDR en kondigde een omvangrijk gedenkstättenplan aan met tientallen miljoenen voor renovaties en audiovisuele presentaties in concentratiekampen zoals Dachau en Flossenbürg. Ook heeft hij zich nadrukkelijk geschaard achter de joodse gemeenschap en nam hij al vroeg contact op met de Centrale Raad van Duitse Joden; culturele boycots van Israël wil hij tegenhouden en hij sloot samenwerkingsafspraken met het Israëlische ministerie van Cultuur.
Praktisch heeft Weimer veel mediagenieke trekkracht: intensieve optredens in kwaliteitskranten en praatshows, snelle beleidsvoorstellen en showmomenten. Die dynamiek leverde hem extra middelen op — zijn begroting groeide in korte tijd met ruim 225 miljoen tot ongeveer 2,5 miljard euro — maar niet alle beloften konden worden waargemaakt. Ambitieuze plannen om Amerikaanse en Chinese techgiganten aan banden te leggen liepen vast bij de bevoegdheidsverdeling met Economische Zaken en Europese regelgeving; enige winst was een vrijwillige afspraak van Netflix om meer Duitse producties te programmeren. Ideeën als een Harvard‑filiaal in Beieren en een totale verbod op gendern in subsidiegerelateerde cultuurcommunicatie verdwenen of werden sterk beperkt; instructies betroffen uiteindelijk vooral zijn eigen staf. Ook het doorzetten van strengere selectiecriteria bij subsidies om (verborgen) antisemitische tendensen uit te sluiten leidde tot veel debat.
Weimers stijl en verleden zorgen voor tegenstrijdige reacties. Vanuit de cultuursector ontstond al vóór zijn aantreden een omvangrijke petitie tegen zijn benoeming: vele kunstenaars en instellingen wantrouwden zijn conservatieve signatuur en gebrek aan partijbinding. Binnen de CDU leverde zijn keuze eveneens verbazing op; partijgenoten hadden andere kandidaten verwacht. Tegelijkertijd ziet Merz in hem een communicatieve versterking voor het christen‑democratische profiel van de regering: cultuurthema’s zijn politiek zichtbaar en relatief goedkoop te bespelen.
Zijn zakelijke achtergrond voedt kritiek en verdenkingen. De Weimer Media Group verdient vooral aan conferenties en gala’s — evenementen waar topfiguren uit politiek en bedrijfsleven tegen forse deelnamekosten samenkomen, met een jaarlijks hoogtepunt in de Ludwig‑Erhard‑Gipfel, waar ook Merz en andere prominenten optreden. De AfD beschuldigt Weimer ervan toegang tot de regering te ‘verkopen’; Weimer zette zijn zakelijke belangen daarna verder op afstand, maar de dienstbare relatie tussen zijn mediavermogen en politieke positie blijft gevoelig.
Persoonlijk en intellectueel leest Weimers profiel als een mengeling van neoliberale zakelijkheid, cultureel conservatisme en religieuze bezorgdheid. Zijn Konservative Manifest en andere werken benadrukken familie, nationale identiteit en een publiek profiel van joods‑christelijke tradities; hij waarschuwt tegen een cultuur van zelfvervreemding door excessieve schuldbelijdenis over het koloniale en naziverleden, maar ondersteunt tegelijk versterkte herinneringsinspanningen voor de Holocaust. Die balans levert kritiek op: sommigen vinden hem te gemakkelijk in het scheiden van kolonialisme en nazivergelijkingen, anderen waarderen dat hij de gedenkpolitiek wil intensiveren zonder alles in één bed te stoppen.
Politiek staat Weimer in een gespannen coalitiedynamiek. De grote coalitie van SPD en CDU/CSU moet in 2026 concrete hervormingen opleveren terwijl in vijf deelstaten verkiezingen op komst zijn waarin de AfD volgens peilingen kan winnen of sterk groeien. De cultuurpolitieke flank waarop Weimer opereert, heeft daarom bredere electorale betekenis: het gaat om symbolen, herinnering en identiteit die kiezers raakt. Dat brengt de vraag op of Weimer loyaal blijft als onverzettelijke frontsoldaat tegen de AfD, of dat hij, als coalitie‑calculaties verdwijnen naar pragmatische toenadering, ook bereid is concessies te doen. Zijn geschriften suggereren dat hij ideologisch flexibel genoeg is om politieke kansen te benutten wanneer dat zijn doelen dient.
Kortom: Wolfram Weimer is een nieuw, opvallend gezicht in de Duitse cultuurpolitiek: een conservatieve mediabedenker die cultuur inzet tegen de AfD, tegelijk met zakelijke en intellectuele bagage die hem kwetsbaar maakt voor conflicten over belangen en ambities. Zijn optreden tot nu toe heeft veel symbolische klappen uitgedeeld, maar in beleidspraktijk veel minder gerealiseerd dan aangekondigd. De komende maanden — met regionale verkiezingen en debat over herinneringscultuur en migratie — zullen uitwijzen of hij vooral een retorische vuist blijft of ook langdurig bestuurlijke invloed weet te consolideren.