De Nederlandse psychoanalytica Maria Moltzer gaf behoorlijk tegengas aan haar idool Carl Jung, volgens biograaf Maya Schepers
In dit artikel:
Maya Schepers publiceerde een biografie over Maria Moltzer (1874–1944) — getiteld Maria Moltzer: De begindagen van de analytische psychologie — waarin het leven van haar oudtante wordt gebruikt om de vroege jungiaanse beweging te verbeelden. Het boek, besproken in de uitgave van 8 april 2026, plaatst Moltzer centraal als zowel trouw volgeling van Carl Jung als literaire tegenspeler die hem kritisch terzijde stond.
De biografie schetst de sfeer rond Jung: een charismatische, eigenzinnige leider met een trouwe kring leerlingen en welgestelde beschermers (onder wie Edith Rockefeller‑McCormick) die de nieuwe praktijk van analyseren, symbolen en verbeelding mede financierden en verspreidden. Moltzer werkte nauw met Jung samen, nam patiënten van hem over en was een begaafd therapeut die Jungiaanse technieken zoals actieve imaginatie toepaste. Tegelijk ontwikkelde ze eigen ideeën, vooral over intuïtie als schakel tussen ratio en gevoel, en zag ze psychoanalyse niet louter als natuurwetenschap maar evenzeer als kunst — een praktijk die ruimte vraagt voor symboliek, mythe en interpretatieve bescheidenheid.
Die opvatting bracht Moltzer in conflict met Jung. Schepers beschrijft hoe Jung enerzijds zijn intuïties volgde en vernieuwende begrippen (introversie/extraversie, archetypen) introduceerde, maar anderzijds moeite had met openheid en kritiek. Jung verhulde soms het niet‑wetenschappelijke element van zijn werk uit vrees voor academische afwijzing — een patroon dat volgens Schepers zichtbaar is in de late publicatie van zijn Rode Boek. Moltzer durfde hem op zijn tekortkomingen te wijzen en eiste dat ook zijn volgelingen zelfstandige inzichten mochten ontwikkelen; die kritische houding maakte hun verhouding zowel vruchtbaar als tragisch.
Schepers heeft als familierelatie en psychologe oog voor context en levert een levendig tijdsbeeld vol anekdotes en citaten. Haar politieke insteek — het herstel van achternamen en erkenning van vrouwen die in de schaduw van beroemde mannen verdwenen — is expliciet: Moltzer moet worden gezien als meer dan Jung’s secondante. Tegelijk valt te betreuren dat Schepers soms te schematisch oordeelt en Jung vooral als veroorzaker en Moltzer als slachtoffer afbeeldt, terwijl hun relatie ook elementen van wederzijdse aantrekkingskracht en intellectuele wisselwerking bevat.
De biografie biedt zo twee thema’s: de ontstaansgeschiedenis van een psychoanalytische stroming die balanceert tussen wetenschap en kunst, en de dilemma’s van leiderschap en bewondering binnen intellectuele bewegingen — plus de specifieke problematiek van vrouwen die historisch ondervertegenwoordigd raakten in die narratieven. Moltzer verschijnt als een pionier die zowel bouwde op Jung als durfde tegen te spreken, en daarmee een eigen visie op wat psychoanalyse kan zijn: een veeleisende levenskunst meer dan een vrome wetenschap.