De Nederlandse ensemblecultuur wordt bedreigd door bezuinigingen en subsidie-eisen. Hoe overleven deze specialisten in nieuwe muziek?

woensdag, 7 januari 2026 (12:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Het Nederlandse ensemblelandschap voor nieuwe muziek blijft actief, maar staat onder druk door bezuinigingen, veranderende subsidievoorwaarden en andere publieksverwachtingen. Dat blijkt uit een reeks recente voorbeelden en ontwikkelingen: het Ives Ensemble – veertig jaar bekend om avontuurlijke programmering rond Cage, Feldman en Ives – werd ten onrechte weggezet als verdwenen na een bericht dat hun nieuwste programma de laatste tournee zou zijn. In werkelijkheid stopt het ensemble niet; het kiest er echter voor geen subsidie meer aan te vragen omdat fondsen tegenwoordig ook ‘buitenmuzikale’ criteria zoals diversiteit en publieksbereik meewegen. ‘We waren twintig jaar toen we begonnen, nu zijn we zestig’, zegt pianist en artistiek leider John Snijders, en het ensemble wil vooral zelfstandig artistiek blijven beslissen.

Historisch gezien kende Nederland een bijzonder rijke ensemblecultuur: in de jaren negentig bestonden er tientallen gespecialiseerde gezelschappen die nieuwe muziek getrouw en zuiver uitvoerden, in navolging van een modernistische traditie waarin Reinbert de Leeuw een leidende rol had. Die traditie legde nadruk op precieze, spartaanse uitvoeringen zonder toeters en bellen: concerten als geconcentreerde, besloten gebeurtenissen waarin de partituur centraal stond. Tegenwoordig botst die instelling met een publiekslandschap dat meer ervaring en beleving verlangt.

Tegelijkertijd is er een even belangrijke stroming die breed inzet op programmering en publieksbereik. Ensembles als het Cello Octet Amsterdam, het Nederlands Blazers Ensemble en gezelschappen als Calefax en Amsterdam Sinfonietta combineren oude en nieuwe muziek, populaire elementen en theatrale presentaties. Voorbeelden: op 27 november 2025 trok Cello Octet Amsterdam met zangeres Claron McFadden een volle zaal in het Muziekgebouw met David Langs toegankelijke, emotioneel geladen Smoky Tunes; Calefax vierde eind november zijn veertigjarig bestaan met een succesvol festival en heeft zijn bezetting en repertoire aangepast om inclusiever te worden en duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Jongere, grensverleggende groepen zoals Pynarello herwerken klassieke werken tot compacte, publieksvriendelijke formats (bijv. Mahler of een poprockversie van Don Giovanni) en scoren daardoor bij een ander, vaak ruimer publiek.

Die verschuiving wordt ook intellectueel verklaard: componist en schrijver Micha Hamel beschrijft een transitie van ‘representatie’ – muziek als vertegenwoordiger van verheven waarden – naar ‘presentie’, een belevingsgerichte muziekcultuur die sterk lijkt op de ervaring van popoptredens. Dit verklaart de opkomst van interdisciplinaire en ‘immersieve’ projecten waar licht, video, theater en rondlopende publieksformaten centraal staan. Festivals en korte, afwisselende programmeringen trekken vaak meer bezoekers dan traditionele concertreeksen; het twintigjarige jubileum van het Muziekgebouw met een marathon van korte optredens leverde enthousiaste reacties op.

Instituten en ensembles passen zich aan. Het Asko|Schönberg Ensemble koos recent voor de beknoptere naam Het Muziek, een besluit dat publieke discussie opriep maar volgens artistiek leider Fedor Teunissen ruimte wil scheppen voor nieuwe samenwerkingen en beeldcultuur. Initiatieven als GRASpunt fungeren als laboratoria waarin makers onderzoeksvragen kunnen uitproberen, variërend van het onderzoek naar de klank van beton tot werken zonder traditionele partituren. Ook worden alternatieve speellocaties gezocht: stukken die in de concertzaal weinig opbrengen, kunnen in grote open ruimtes of museale contexten heel anders werken, zo blijkt uit ervaringen in Gent en elders. De overheid stelt bovendien concrete eisen, zoals het jaarlijks realiseren van veel grote zaalproducties, wat ensembles dwingt tot bredere programmering.

Niet alle veranderingen zijn soepel verlopen. Sommige groepen worstelen financieel: bezuinigingen uit 2012 raakten meerdere ensembles hard. Voorts bestaat zorg dat het repertoire van de vroege en late modernisten (Xenakis, Boulez, Stockhausen, Ferneyhough e.a.) in vergetelheid raakt: orkesten beschikken dikwijls niet over de affiniteit of vaktechniek om deze complexere werken te verzorgen, en gespecialiseerde ensembles kijken juist vaak vooruit. Geestverwanten proberen die lacune te dichten: De Ereprijs in Apeldoorn programmeert Louis Andriessen-festivals en organiseert nieuwe, thematische projecten en museumconcerten; Ensemble Klang ontwikkelt een ‘ecosysteem’ van activiteiten—van buitenoptredens tot clubshows en festivals—om zowel experimenteel als publiek te bedienen; en initiatieven als The Big Loud Thing brengen vergeten of lokaal repertoire terug op de planken.

Kortom: de Nederlandse ensemblecultuur is niet ten onder gegaan, maar is volop in transitie. Sommige gezelschappen houden vast aan de geconcentreerde, partituurgetrouwe praktijk; anderen verrijken hun aanbod met theatrale, visuele en participatieve elementen om nieuw publiek te winnen en aan subsidieverplichtingen te voldoen. Financiële en beleidsmatige druk dwingt tot vernieuwing, maar ook tot debat over identiteit, repertoire en de vraag welke muziek in welke context bewaard en opnieuw geïnterpreteerd moet worden. Het Ives Ensemble, Calefax, Het Muziek, Klang en kleinere initiatieven illustreren hoe die aanpassing eruitziet: behoud van vakmanschap én experiment met vormen en plaatsen om relevant en haalbaar te blijven in een veranderende culturele omgeving.