De nederlaag van Viktor Orbán en het ongemak met de Iran-oorlog leggen de scheuren in het radicaal-rechtse gedachtegoed bloot
In dit artikel:
De herverkiezing van Donald Trump leek in Europa lange tijd een groen licht voor een heerschappij van radicaal-rechtse politiek: leiders als Viktor Orbán, Giorgia Meloni, Marine Le Pen en Geert Wilders zagen in hem een bondgenoot tegen de liberale wereldorde en multilaterale instituties. Maar de realiteit van geopolitieke spanningen en economische druk – aangedreven door Trumps buitenlandse beleid en vooral de oorlog tegen Iran – heeft die eens zo vanzelfsprekende solidariteit onder druk gezet en de vermeende radicaal-rechtse Internationale scheuren doen vertonen.
Sinds Trumps terugkeer is de internationale verhoudingen verder gefragmenteerd geraakt. Handelstarieven en economische sancties worden instrumentaliseringsmiddelen, techbedrijven infiltreren besluitvorming, en de wereldeconomie is gevoeliger voor schokken. De oorlog van de Verenigde Staten en Israël tegen Iran vergroot de onzekerheid: stijgende energieprijzen en schommelingen op de financiële markten raken huishoudens en bedrijven in Europa direct. Die concrete kosten leggen spanningen bloot tussen het buitenlandbeleid dat radicale bondgenoten loven en de nationale belangen die hun kiezers werkelijk voelen.
Italië illustreert die breuklijn. Premier Giorgia Meloni, voorheen een trouwe bewonderaarster van Trump en een prominent gezicht op MAGA-achtige podia, nam toen de energieschaarste en economische schade door het conflict zich vertaalde in binnenlandse pijn een andere positie in. Zij volgde in dit geval het voorbeeld van de linkse Spaanse premier Pedro Sánchez door de Amerikaanse militaire toegang tot Spaanse bases te beperken – een keuze die vooral door nationale noodzaak is ingegeven. Dit laat zien dat solidariteit met Trumps koers kan wijken zodra eigen huishoudens de rekening betalen.
Ook in andere Europese landen tekenen zich verschuivingen af. In Duitsland past Alternative für Deutschland haar retoriek aan omdat de oorlog tegen Iran onder de eigen aanhang onpopulair is; binnen de partij winnen stemmen die de VS al langer met argwaan bekijken aan invloed. In het Verenigd Koninkrijk distantieerde zelfs een vroegere Trump-supporter als Nigel Farage zich van de meer agressieve retoriek richting Iran. Eerder had Trumps poging om Groenland te annexeren al voor ongemak gezorgd bij Europese bondgenoten: het maakte duidelijk dat Washington onder Trump ook partners als onderhandelingsobjecten kan zien.
De electorale ontknoping in Hongarije krijgt hierdoor extra gewicht. De opvallende overwinning van oppositieleider Péter Magyar betekent het einde van Orbáns tijdperk als hét voorbeeld van een confronterende, anti-EU strategie. Orbán had jarenlang Brussel ondermijnd met veto’s en obstructie, en Hongarije functioneerde als experiment voor autoritaire en eurosceptische tactieken. Zijn nederlaag toont dat een ronduit confrontatiegerichte koers grenzen kent, zeker wanneer de economische en geopolitieke prijs voor de bevolking te hoog wordt.
Toch betekent Orbáns val niet het uitsterven van radicaal-rechts in Europa. In het Europees Parlement blijft die stroming een flinke factor, en in nationale verkiezingen in landen als Duitsland en Frankrijk liggen kansen voor rechts. Belangrijker is dat de strategie verandert: van een openlijk saboterende houding naar een meer utilitaristische, pragmatische vorm van euroscepsis. Die nieuwe aanpak probeert niet per se de EU te breken, maar wil instituties gebruiken om nationale doelen door te drukken — beïnvloeding langs binnen in plaats van openlijke destabilisatie. Meloni past precies binnen dit profiel: zij zoekt invloed door te manoeuvreren binnen Europese kaders waar dat nuttig is, zonder zich te bekeren tot een pro-EU-ideologie.
De kernparadox blijft onveranderd: radicaal-rechts bouwt op nationale soevereiniteit en wantrouwt supranationale instituties. Dat bindt ideologisch, maar zodra landen werkelijk in botsing komen over handel, energie of geopolitieke keuzes, ontbreekt een mechanisme om nationale belangen op vreedzame wijze te verzoenen. Dit ondermijnt blijvende internationale allianties en maakt de vermeende Internationale fragiel. Radicaal-rechts moet kiezen: meegaan in een Trumpiaanse nulsomlogica waarin staten hun kortetermijnbelang najagen en solidariteit tijdelijk is, of investeren in wederzijdse afhankelijkheid en institutionele samenwerking die stabiliteit biedt — een keuze die vooral bepaald wordt door hoe groot de kosten van confrontatie blijken te zijn.
Wat de toekomst brengt blijft onzeker. De recente gebeurtenissen versnellen een verplaatsing van de meest extreme confrontatiestrategieën naar subtielere, pragmatische methodes, maar ze kunnen ook tijdelijk van aard zijn. Hongarije biedt een eerste aanwijzing dat electorale afstraffing van de meest radicale koers mogelijk is; of die trend doorzet en leidt tot duurzame koerswijzigingen binnen de Europese radicaal-rechtse beweging is afhangig van verloop van de economie, geopolitieke spanningen en komende verkiezingen.