De natie moet zichzelf nog een keer bevrijden
In dit artikel:
Op 13 november 1940, zes maanden na de Duits-Nederlandse bezetting, hield historicus Jan Romein aan de Universiteit van Amsterdam een gedurfde rede over vrijheidszin en verdraagzaamheid. Hij haalde de traditie van Johan Huizinga aan — die in 1934 zijn lezing over het “Nederlands geestesmerk” begon met een liefdesverklaring aan het land — en stelde dat zowel Huizinga (liberaal) als hijzelf (voormalig marxist) één kern zagen: een Nederlandse identiteit gestoeld op individuele vrijheid én wederzijdse verdraagzaamheid.
Romein verklaarde de bijzondere Nederlandse combinatie van overtuigingen en religies niet uit Franse ideeën, maar uit eigen, nationale wortels: de Opstand tegen Spanje met haar nadruk op gewetensvrijheid en de vroege stadsontwikkeling die mensen dicht bij elkaar woonde en hen dwong elkaar te verdragen. In zijn lezing koppelde hij individualisme aan gemeenschapszin: ware zelfexpressie vereist erkenning van diezelfde vrijheid bij anderen, en tolerantie is dus geen zwakte maar een nationale kracht.
Hij nuanceerde ook conflicten uit de negentiende eeuw — spanningen tussen protestanten, katholieken, liberalen en later arbeiders — als uitingen van angst voor verlies van tolerantie, maar benadrukte dat gematigdheid en geleidelijke opname van achtergestelde groepen (zoals vrouwen en Joden) kenmerkend bleven voor de Nederlandse politieke cultuur. Die mildheid kan deels verklaard worden door de urgente en gevaarlijke omstandigheden van 1940: Romein voelde zich “meer Nederlander dan ooit” en besefte dat vrijheid gebonden was door de bezetting. Kort na zijn toespraak bleek de realiteit hard: twee weken later werd hoogleraar Cleveringa gearresteerd wegens protest tegen het ontslag van Joodse collega’s; Romein zelf zou in 1942 gevangen worden genomen en later onderduiken.
De toespraak heeft een hedendaagse relevantie: Romein bood aanknopingspunten om scherpe polarisatie, politiek geweld en erosie van democratische slagkracht tegen te gaan door het belang van gedeelde geschiedenis en tolerantie te onderstrepen. Hij presenteerde zichzelf als een soort familievader die studenten de nationale geschiedenis bijbrengt, met de oproep om gezamenlijk te overdenken wat die geschiedenis waardevol maakt — een oproep die in tijden van verdeeldheid nog steeds actueel is.