De Lentebekerzwam vlucht uit de bergen
In dit artikel:
De Lentebekerzwam (Caloscypha fulgens) is van nature een bergsoort waarvan het verschijnen lange tijd samenhing met de smelt van de winterse sneeuw. Door opwarming van de winters schuift de soort echter naar lagere gebieden op, waardoor Nederland nu ook tot zijn verspreidingsgebied behoort. De paddenstoel werd al in 1822 beschreven en is in Nederland vooral in het vroege voorjaar te zien, met een piek in maart. Het vruchtlichaam is een bekervorm van maximaal circa 6 cm; de binnenzijde is orangegeel tot eigeel, de buitenzijde opvallend groenblauw.
Historisch groeide de Lentebekerzwam na sneeuwsmelt in bergachtige naaldbossen met den, spar en zilverspar, vaak op kalkrijke bodems. Sinds circa 1985 zijn waarnemingen steeds vaker in laaglandgebieden gedaan — in loofbossen, parken en tuinen — waar sneeuw nauwelijks een rol speelt. De soort komt verspreid voor over het noordelijk halfrond: van Europa (Duitsland, Zwitserland, Frankrijk, Scandinavië, Groot-Brittannië, Polen, Rusland) tot Japan en de Verenigde Staten.
Biologisch wordt de zwam in verband gebracht met aantasting van coniferenzaden, wat de kieming van die zaden kan schaden; waarnemingen doen zich daarom vaak voor op plekken waar eekhoorns kegels en zaden verstoppen. In laaglanden groeit de soort echter ook bij verschillende loofbomen, waardoor het vaak lastig is vast te stellen op welk substraat hij daadwerkelijk leeft.
Klimaatverandering heeft niet alleen het areaal verlegd maar ook de verschijningsperiode veranderd. Een Zweeds onderzoek over circa 60 jaar toont dat de neerslag in de eerste maanden van het jaar (jan–apr) sterk bepaalt of en hoeveel vruchtlichamen er verschijnen: meer dan ongeveer 120 mm levert vaak een ‘explosie’ van vruchtlichamen op, terwijl droge of kortdurende buien leiden tot weinig tot geen zichtbare exemplaren. Bovendien verschuift de gemiddelde waarnemingsdatum naar eerder in het voorjaar (in Zweden van half mei in 1960–1990 naar eind april in 1991–2020) en is het seizoen korter geworden doordat de bodem na snellere afsmelt sneller uitdroogt.
De eerste Nederlandse vondst dateert van 10 april 1985, gedaan door amateurmycologen Peter Billekens en Giel Gatzen op de Groote Heide bij Venlo. Sinds 2000 is de soort in Nederland vaker gemeld, maar met een grillig patroon: topjaren waren 2014, 2017, 2019 en 2020; sinds 2022 is de soort niet meer teruggevonden. Omdat evenwichtig verdeelde winter- en vroege lenteregenval in topjaren belangrijk bleek, kan het lonend zijn eerdere vindplaatsen in natte winters of vochtige vroegvoorjaren opnieuw te controleren.
Bron: Ronald Morsink, PaddenstoelenonderzoekNederland (beeld: Doriene de Jong; Koos Werther).