De laatste dichtbundel van Lieke Marsman: een afdaling in de hel van Nederland, waar zelfs de ziel handelswaar blijkt te zijn

vrijdag, 12 juni 2026 (19:12) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Ik zit in een trein van Eindhoven naar Den Helder en lees Lieke Marsmans bundel De dichter en de duivel terwijl het landschap aan me voorbijsuist — industrieterreinen, reclame-weiden, plakkerige tafeltjes. Die sfeer fungeert in de recensie als ingang: Marsmans poëzie maakt van het alledaagse een ondergrondse wereld, een hedendaagse afspiegeling van Dante’s afdaling, maar dan door een “Onder‑Nederland” waarin ziel, taal en markt zijn opgeofferd aan winst.

De dichter (en filosoof) Lieke Marsman (1990–2026) neemt de lezer mee door zeven delen waarin ze, begeleid door herkenbare kopstukken en mediagezichten, dieper afdwaalt in een commerciële hel. Het hiernamaals is bij haar geen mystieke ruimte maar een uitgekiend bureaucratisch en commodified systeem: er bestaat een handelsplaats voor zielen (SoulSearcher), zonden worden afgerekend in een valuta die de waarde van je ziel weerspiegelt, en zelfs de morele orde wordt bewaakt door AI‑androïdes en robottrainees. Marsman spiegelt en vergroot onze wereld: privatisering, influencers, beleidsjargon en chatbots worden in schaal en absurde logica doorgerekend tot een maatschappijbeeld dat tegelijk herkenbaar en onthutsend is.

De bundel schakelt vlot tussen registers. Marsman wisselt scherpe satire en bijtende humor af met warmbloedige verontwaardiging en filosofische reflectie. Ze plaatst zichzelf weinig afstandelijk naast haar lyrisch ik: haar stem is wederkerig, persoonlijk, vaak wroegend maar ook strijdlustig. Een terugkerend motief is de vraag hoe taal macht organiseert: professionele, softe managementtaal en beleidsjargon werken stilletjes uit de ziel van zaken, terwijl poëzie de menselijke variëteit en integriteit probeert te bewaren.

Verschillende scènes geven die kritiek vorm. In de eerste ringen van Onder‑Nederland boeten alter ego’s onder toezicht van technocratische diensten; in een spiegelpaleis ziet Marsman duizenden projecties van mensen die elkaar op sociale media valse complimenten geven. In gesprekken met figuren als Dick Schoof en Gerrit Zalm wordt de normalisering van privatisering en het ontbreken van verantwoording blootgelegd: ontwijkende antwoorden, trots op efficiëntie, en de stellige overtuiging dat de markt het beste regelt. Die toon blijkt gevaarlijk precies omdat ze zo rationeel klinkt.

Marsman laat ook concrete en pijnlijke maatschappelijk debatten in de boksring tot een metafoor versmellen. Debatten over hypotheekrenteaftrek, vrijheid van meningsuiting en oorlogsvoering spelen als bokspartijen waarin woorden hard vallen. Een fragment met een politicus/influencer verwijst expliciet naar een verwijderde tweet van een huidig Kamerlid, en de gedichten houden zo de openbare sfeer een pijnlijke spiegel voor: beweringen over oorlogsmisdaden, recht op spreken en wie er luisterd — die vragen worden niet weggeredeneerd maar voluit gevoegd en beleefd in poëzie die pijn doet en wakker schudt.

Formeel is de bundel virtuoos: Marsman mengt registers, monteert dialogen tussen menselijke en niet‑menselijke stemmen en gebruikt rijm spaarzaam als wapen van de terugvechtende dichter. Rhyme en klassieke middelen duiken op als teken van continuïteit in de poëziegeschiedenis, een bewijsmiddel dat de dichterlijke stem hardnekkig blijft bestaan ondanks commercialisering en algoritmische empathie.

Het slot van de bundel is beklemmend actueel: een oud luchtalarm, een onbruikbaar NL‑alert omdat het systeem “verkocht” zou zijn, en de suggestie dat, gevangen in een schuilkelder, reciterend poëzie het laatste menselijke overblijfsel kan zijn. Dat beeld zet de toon van Marsmans pleidooi: tegen de vercommercialisering van elk aspect van ons bestaan en tegen een taal die mensen reduceert tot dossiers, merken of doelgroepen, plaatst zij poëzie als maat voor menselijke waarde en integriteit.

Deze bundel leest als een aanklacht en als een liefdesverklaring tegelijk — een verontwaardigde maar meevoelende oproep om niet te zwichten voor vernuftige, ontzielende taal. Marsman laat ons achter zonder simpele antwoorden; haar gedichten zijn een provokatie en een reddingsboei: we leven in een hel op aarde, maar in de liederen van de dichter schuilt misschien toch een paradijs.