De kans om te overleven is verbeterd voor kinderen met kanker: 'Maar wij vinden het nooit genoeg natuurlijk'
In dit artikel:
Kinderoncoloog en hoogleraar Max van Noesel ziet in zijn ruim 25-jarige loopbaan duidelijke vooruitgang in de behandeling van kinderen met kanker. Tien jaar na de diagnose is inmiddels 83 procent van de patiënten nog in leven, tegenover 74 procent toen hij begon. Die verbetering geldt echter niet voor alle patiëntengroepen. Vooral kinderen met bottumoren en neuroblastomen hebben nog vaak een slechte prognose.
Van Noesel werkt in het Prinses Máxima Centrum in Utrecht, waar jaarlijks ongeveer zeshonderd kinderen met kanker worden behandeld. Het centrum is het grootste gespecialiseerde kinderoncologische ziekenhuis van Europa. Naast zijn functie als directeur klinisch onderzoek blijft hij ruim een dag per week patiënten zien. Hij richt zich vooral op sarcomen en neuroblastomen, zogenoemde solide tumoren.
Kinderkanker verschilt volgens Van Noesel doorgaans sterk van kanker bij volwassenen. Bij kinderen ontstaat een tumor meestal door fouten tijdens de ontwikkeling en groei van cellen, en niet door langdurige schade van veroudering of schadelijke stoffen. Omdat kindertumoren vaak snel groeien, reageren ze relatief vaak goed op chemotherapie. Kinderen kunnen bovendien hogere doseringen verdragen en herstellen sneller van de behandeling. Ook zijn de meest effectieve combinaties en doseerschema’s de afgelopen decennia beter vastgesteld.
Het centrum werkt aan nieuwe opties voor patiënten bij wie standaardbehandelingen onvoldoende helpen. Een nieuwe faciliteit voor CAR-T-therapie moet het mogelijk maken om afweercellen van kinderen genetisch aan te passen en opnieuw toe te dienen. Deze behandeling wordt al gebruikt bij sommige vormen van bloedkanker; onderzoekers willen nu nagaan of zij ook effect heeft bij onder meer hersentumoren en neuroblastoom. Van Noesel onderzoekt daarnaast nucleaire therapie, waarbij radioactieve stoffen gericht naar tumorcellen worden gebracht. Ook antilichaam-geneesmiddelcombinaties worden onderzocht voor solide tumoren.
Onder zijn verantwoordelijkheid lopen ongeveer 140 studies, met bijna zeshonderd onderzoekers. Internationale samenwerking en het delen van grote datasets zijn volgens hem noodzakelijk, omdat kinderkanker relatief weinig voorkomt. Farmaceutische bedrijven investeren minder snel in geneesmiddelen voor kinderen vanwege de kleine markt. Daarom proberen onderzoekers steeds vaker eerst vast te stellen welk biologisch defect een tumor veroorzaakt en welke behandeling daar specifiek bij past. Zo wordt onderzocht of een bepaald middel kan werken tegen een zeldzame rhabdoïde tumor.
Het contact met ernstig zieke kinderen en hun ouders blijft zwaar, vooral wanneer het om pubers gaat. Van Noesel zegt dat hij door zijn ervaring beter kan omgaan met heftige reacties en slecht nieuws. Zijn motivatie haalt hij uit het verbeteren van de patiëntenzorg en het ontwikkelen van behandelingen die ook voor de groepen met de slechtste vooruitzichten de overlevingskansen kunnen vergroten.
Vandaag Inside: Johan Derksen geeft vaste bargast nog één laatste kans: ‘Het houdt een keer op...’