De jonge generatie kan het verdeelde Afrikaanse continent vooruithelpen, volgens Scarlett Cornelissen
In dit artikel:
Scarlett Cornelissen, een 51‑jarige hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit van Stellenbosch, onderzoekt hoe Afrika zich verhoudt tot de grote machtsverschuivingen in de wereld. In juni 2026 verscheen ze als een van de drie redacteuren van het boek Africa and the Thucydides Trap, waarin zij de hedendaagse rivaliteit tussen grootmachten — doorgaans voorgesteld als de VS (het gevestigde vermogen) en China (de opkomende macht) — plaatst in de traditie van de zogenaamde Thucydides‑val: spanningen die ontstaan als een opkomende macht een heersende macht bedreigt en die kunnen uitmonden in conflict.
Cornelissen benadrukt dat Afrika geenszins buiten deze dynamiek staat. Het continent telt 54 landen en bijna 1,5 miljard inwoners, met een bijzonder jonge bevolking (gemiddelde leeftijd rond 19 jaar), grote mijnbouwreserves (kobalt, coltan, lithium) en meerdere snelgroeiende economieën. Die combinatie maakt Afrika strategisch waardevol: niet alleen vanwege grondstoffen en markten, maar ook wegen waar stemmen en diplomatieke steun internationaal kunnen meetellen. Economische maatregelen tussen grootmachten, zoals tarieven, treffen Afrikaanse staten direct en vergen strategische keuzes van hun regeringen.
De betrekkingen van externe machten met Afrika lopen uiteen. Rusland hernieuwt onder Poetin zijn invloed, vooral in zwakkere regimes in de Sahel en in landen als Libië, Mali, Niger, Mozambique en de Centraal‑Afrikaanse Republiek, vaak via paramilitaire actoren zoals Wagner. China heeft een lange beleidsgeschiedenis in Afrika: van ideologische steun in Mao‑tijd tot hedendaagse economische en infrastructurele betrokkenheid. Daarbij spelen zowel staatsbedrijven die arbeidsmigratie en grootschalige projecten organiseren als private bedrijven en diasporanetwerken een rol; het beeld dat alle Chinese migratie centraal door Peking gestuurd wordt, is volgens Cornelissen te simplistisch.
Afrika zelf is intern verdeeld. De Afrikaanse Unie (AU) is een vaste gesprekspartner voor grote mogendheden, maar consensievorming blijft lastig doordat nationale belangen vaak zwaarder wegen dan continentale solidariteit. Cornelissen wijst op de belangrijkste regionale machten — Zuid‑Afrika, Nigeria, Kenia, Egypte en in bepaalde opzichten Ethiopië — maar merkt dat er geen duidelijk leidende staat meer is, zoals in de jaren dat staatsmannen als Thabo Mbeki of Olusegun Obasanjo invloed uitoefenden. BRICS‑uitbreiding (waaronder landen als Iran, Indonesië, VAE, Egypte en Ethiopië) illustreert pogingen tot een bredere Global South‑configuratie, maar die groep is heterogeen en weinig institutioneel vastgelegd.
Specifiek over Zuid‑Afrika: de regering onder president Cyril Ramaphosa kiest volgens Cornelissen voor een strategie van actieve niet‑gebondenheid — samenwerken met meerdere partners zonder zich unilateraal aan één grootmacht te verbinden. Dat heeft geleid tot wisselende houdingen in internationale conflictsituaties: bijvoorbeeld bestuurlijke onpartijdigheid in het Rusland‑Oekraïneconflict maar een uitgesproken pro‑Palestijnse positie en een juridische stap tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof, waar niet alle Afrikaanse landen zich mee identificeerden.
Regionale veiligheid en binnenlandse fragiliteit vormen extra uitdagingen. De Democratische Republiek Congo is door zijn omvang en hulpbronnen een brandpunt van internationale en regionale belangen, en conflicten daar hebben voortgezet bijgedragen aan instabiliteit. Xenofobische uitbarstingen in Zuid‑Afrika en de opkomst van gewapende islamitische groeperingen in gebieden zoals het noorden van Mozambique laten zien dat sociaal‑economische uitsluiting, politiek leiderschapstekort en zwakke staatsgezag diepe risico’s vormen. Extremisme floreert vaak op basis van marginalisering en gebrek aan perspectief, niet louter religieuze factoren.
Toch blijft Cornelissen optimistisch over de toekomst van Afrika. De demografische dynamiek, het enthousiasme onder jongeren en hun protesten voor betere kansen bieden volgens haar hoopvolle aanknopingspunten. Cruciaal zijn onderwijs en het scheppen van economische perspectieven; als die worden benut, kan de jonge bevolking transformeren tot een motor van ontwikkeling in plaats van een bron van onrust. Cornelissen ziet Afrika dus niet alleen als speelbal van grootmachten, maar als een continent met strategische ruimte om eigen keuzes te maken — mits er meer eenheid, betere binnenlandse politiek en investeringen in menselijke ontwikkeling komen.
De Oranjezomer: Leontien van Moorsel uit zorgen over Tour de France: 'Dit is niet verantwoord'