De illiberalen van nu zijn niet de fascisten van toen

woensdag, 7 januari 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

In mei 2024 bezocht Hongarije’s premier Viktor Orbán Washington niet primair om president Biden te ontmoeten, maar op uitnodiging van de conservatieve denktank Heritage Foundation en naar aanleiding van de opkomst van Donald Trump. Orbán gaf er een besloten toespraak waarin hij zijn beleidsagenda uitdeelde — ideeën die nauw aansloten bij Project 2025, het Amerikaanse beleidsplan om uitvoerende macht te versterken ten behoeve van een rechts-christelijk-nationalistisch programma. Die gebeurtenis illustreert de steeds intensere internationale netwerken tussen rechts-conservatieve, populistische en extreemrechtse actoren en de wederzijdse inspiratie tussen leiders van uiteenlopende westerse landen.

Het artikel betoogt dat het begrip illiberalisme beter houvast biedt dan labels als populisme, autoritarisme of fascisme om de hedendaagse uitholling van liberale rechtsstaten te duiden. Waar populisme vooral een stijl of discursief raamwerk is — het beroepen op “het volk” tegen elites — zegt het weinig over de ideologische inhoud. Illiberalisme daarentegen richt zich expliciet tegen kernaspecten van het constitutionele liberalisme: onafhankelijke rechters, vrije media, autonome universiteiten en andere machtscheidsinstellingen. Illiberale bewegingen behouden vaak formele electorale procedures, maar ondermijnen checks-and-balances, centraliseren besluitvorming, benoemen loyaliteitsgetrouwe personen boven competente functionarissen en voeren beleid dat individuele en minderheidsrechten inperkt ten gunste van een majoritair nationalistisch project.

Historisch en conceptueel worden twee sleutelteksten als vertrekpunt genoemd. Fareed Zakaria’s essay The Rise of Illiberal Democracy (1997) waarschuwde vroeg voor het gevaar dat democratisering niet automatisch liberale instituties oplevert; democratie zonder constitutionele beperkingen kan leiden tot machtsmisbruik en sociale ontwrichting. Viktor Orbán nam het woord ‘illiberale democratie’ expliciet over in een bekende toespraak in Băile Tuşnad (2014), waarin hij stelde dat een democratie niet per se liberaal hoeft te zijn en hij een nationale, anti-kosmopolitische politiek voorstond die de liberale hegemonie van EU en VS wilde keren. Daarmee werd Hongarije zowel praktijkvoorbeeld als inspirator voor soortgelijke projecten elders.

Marlène Laruelle, die in het artikel centraal staat, levert volgens de auteur het meest vruchtbare analytische kader. Zij beschouwt illiberalisme als een ‘dunne’ of fluïde ideologie: geen uitgebreid doctrinair systeem zoals liberalisme of socialisme, maar wel een herkenbare kern van ideeën en taal rond nationale soevereiniteit, culturele homogeniteit, versterking van traditionele normen en het terugdringen van liberale instituties. Daardoor past de ideologie zich makkelijk aan lokale omstandigheden en tradities aan. Parallel daaraan ziet Jan Kubik illiberalisme ook als een cultuur: een manier van spreken, voelen en nostalgisch ressentiment dat politieke mobilisatie mogelijk maakt.

De recent verschenen handboeken en bundels (Routledge Handbook of Illiberalism; The Oxford Handbook of Illiberalism, onder redactie van Laruelle) laten zien dat het begrip academisch terrein heeft gewonnen en verschillende aspecten — intellectuele wortels, institutionele strategieën, internationale netwerken — met elkaar verbindt. Illiberalisme put uit oudere tradities die teruggaan tot de Verlichting en doorlopen tot in de twintigste eeuw; juist die genealogie maakt het begrip geschikt om vergelijkingen te trekken tussen bewegingen in diverse landen, zonder ze louter te labelen als populistisch of autoritair.

De auteur waarschuwt tegelijk voor simplistische vergelijkingen met historisch fascisme. Thema’s als anti-kosmopolitisme, etnische zuiverheid en cultus van een gedeelde identiteit klinken wel vaak door, en in sommige gevallen zijn er verontrustende parallellen met Weimar-Duitsland. Toch benadrukken historici als Robert Paxton dat fascisme een specifiek historisch fenomeen was, gevormd door bijzondere omstandigheden in de jaren twintig en dertig. Het is zinvol de overeenkomsten te onderzoeken, maar onzorgvuldige etikettering kan analytisch weinig opleveren. Dat neemt niet weg dat de opmars van illiberale politiek, zoals Zakaria al voorspelde, reële risico’s inhoudt: uitholling van vrijheden, etnische polarisatie en zelfs escalatie naar geweld.

Belangrijke concrete kenmerken van hedendaags illiberalisme die in het artikel terugkomen:
- Systematische aantasting van rechterlijke onafhankelijkheid, media en academische autonomie.
- Verheerlijking van nationale soevereiniteit boven multilaterale samenwerking en de rechten van minderheden.
- Retoriek van nostalgie, moreel herstel en ressentiment tegenover kosmopolitische elites.
- Internationale samenwerking en kennisuitwisseling tussen illiberale actoren (bijv. Orbán met Amerikaanse conservatieven).

Tot slot betoogt het stuk dat illiberalisme als relationeel en kritisch concept ons dwingt om liberale democratieën aan hun eigen normen te meten: waar leveren ze geen sociale rechtvaardigheid, waar vervreemden burgers cultureel, en hoe fragiel blijken instituties? Illiberalisme is daarmee een bruikbaar analytisch instrument om samenhang tussen diverse nationale bewegingen te zien en te begrijpen waarom ze electorale successen boeken — maar het moet gebruikt worden met oog voor nuance en de reële gevaren die uit zo’n stroming kunnen voortkomen.