De herkenbare stem van Geoff Dyer: het plezier en de overgave in zijn bewondering
In dit artikel:
Geoff Dyer, de Engelse schrijver die bekendstaat om zijn uiteenlopende onderwerpen en onmiskenbare, ironische stem, heeft met Huiswerk een verrassend rechttoe-rechtaan memoir afgeleverd over zijn jeugd in Gloucestershire. Het boek, geschreven nadat zijn ouders waren overleden en recent in Nederlandse vertaling van Ivo Verheyen bij Tzara verscheen, vertelt geen sensationele anekdotes maar bouwt langzaam via kleine, scherp waargenomen momenten aan een indrukwekkend en herkenbaar portret van een alleenstaand kind uit een working‑classgezin in het Engeland van de jaren zestig en zeventig.
De kracht van Huiswerk zit volgens recensent Jan Postma niet in grote dramatische wendingen, maar in Dyers vermogen om microscopisch specifiek te zijn: speelgoed, modelvliegtuigen, een regenjas aan het stuur van een fiets of een vader die in stromende regen de fiets in de kofferbak wurmt — details die buitenproportioneel helder blijven. Die precisie, gecombineerd met Dyers neiging tot zelfspot en paradoxale opmerkingen, produceert een universaliteit zonder algemeenheden te verkondigen. Klassenzaken spelen een centrale rol: het verhaal laat zien hoe instituties (zoals het 11-plus‑examen en de grammar school) jongens als Dyer omhoogtillen en langzaam van hun ouderlijke milieu verwijderen. Het boek eindigt als Dyer achttien is en naar Oxford vertrekt; de terugblik draagt het dubbele bewustzijn van het kind dat het niet begreep en de volwassene die het later doorziet.
Huiswerk vormt tegelijk een stilistische verschuiving binnen Dyers oeuvre. Waar zijn eerdere non‑fictie vaak speelt met grensgebieden tussen feit en fictie en uitbundig culmineert in spitsvondigheden en losse essays over alles van Tarkovski en tennis tot fotograferen en vliegdekschepen, is deze memoir opvallend ingetogen en emotioneel direct. Postma leest het als het begin van een ‘late stijl’: meer ruimte voor verschillende invalshoeken en een diepere emotionele verbondenheid, mogelijk voortkomend uit de rouw na het verlies van zijn ouders. Tegelijk laat Dyers vertrouwde toon — knorrig, belezen, ironisch — zich nog altijd gelden; hij blijft de schrijver die meta‑commentaar levert op zijn eigen ernst en neigingen.
Belangrijke terugkerende thema’s in Huiswerk zijn de onuitgesproken afstand tussen generaties, liefde zonder theatrale gebaren en de manier waarop vroegste ervaringen sluimerend betekenis krijgen. Dyer beschrijft momenten van affectie zonder hoogdravendheid: het is de inzet van een vader die zijn bezwaar tegen speelgoed terzijde schuift om een eenvoudige berging voor Action Man te bouwen, of het kleine ritueel van thermosflessen op een parkeerplaats bij een universiteit. Zulke beelden tonen hoe intimiteit en misverstanden, liefde en onbegrip samen het sociale leven van een gezin vormden.
De memoires sluiten ook aan bij Dyers langdurige fascinatie voor de vluchtige grens tussen leven en schrijven. Hij heeft eerder in essays en boeken al gespeeld met de verhouding tussen herinnering en verzinsel; in Huiswerk blijft hij dicht bij de feiten, maar erkent tegelijkertijd dat reflectie en literaire vormgevingen onvermijdelijk zijn. Postma merkt op dat het boek, meer dan eerdere jeugdfragmenten in zijn essays, deze structuur en context explicieter maakt: het individuele verhaal wordt geplaatst in een bredere historische en sociale werkelijkheid.
Ten slotte koppelt Huiswerk het persoonlijke aan het politieke: klasse wordt gepresenteerd als een proces, een ‘gebeuren’ dat zich via tijd en instituties manifesteert. Dyers eigen ontluikende begrip daarvan komt pas later met het lezen van historici en cultuurcritici, maar de gevoelens waren er al tijdens die jeugdjaren. Voor lezers van Dyer biedt Huiswerk niet zozeer verrassende feiten over zijn jeugd, maar een heldere en ingetogen kijk op hoe kleine belevenissen, maatschappelijke structuren en rouw samen iemands leven vormen — en hoe een schrijver daarvan een nieuwe, volwassen toon kan smeden.