De geboorte van 1 Januari: De viering van de oorlogsgod Janus

vrijdag, 2 januari 2026 (11:23) - Joop

In dit artikel:

De geur van vuurwerk verbergt een geschiedenis van verovering: wat wij op 1 januari collectief vieren, vindt zijn oorsprong in Romeinse machtspolitiek en oudere Afrikaanse tijdkennis. De tekst legt uit dat de universele startdatum 1 januari zijn huidige betekenis kreeg door de hervorming van de kalender door Julius Caesar in 45 v.Chr., maar dat de onderliggende techniek en wijsheid afkomstig waren uit het oude Khemet (Egypte) — concreet vastgelegd in de Denderah Disc, een maan-zonkalender die seizoenen van de Nijl (Akhet, Peret, Shemu) koppelde aan landbouw, ritueel en sociale planning.

De Denderah Disc, eeuwenlang onderdeel van de Hathor-tempel in Dendera, is geen mythisch ornament maar een functionele astronomische kalender: tien maanden van 36 dagen (360) plus vijf epagomenale dagen, met soms een zesde dag (Seth) als schrikkeldag. Deze cyclische benadering van tijd was praktisch en levensnoodzakelijk voor samenlevingen die van de Nijl afhankelijk waren. In 1799 werd een reliëf van die traditie door Napoleons expeditie uit Egypte gehaald en sinds 1822 tentoongesteld in het Louvre — een voorbeeld van hoe kennis en objecten uit Afrika werden geroofd en hergeplaatst in Europese machtscentra.

Rome kende aanvankelijk een onhandige, politiek beïnvloedbare kalender: tien benoemde maanden, twee ongenaamde wintermaanden, en intercalaties die door de Pontifex Maximus werden ingezet als machtsinstrument. Tijd was daar al snel geen natuurgegeven meer maar statecraft: belastingen, pachten en militaire planning hingen af van de kalender. Caesar, beïnvloed door contacten met Egypte (waar hij Cleopatra ontmoette en met haar wetenschap besprak), liet in 45 v.Chr. de Juliaanse kalender instellen. Om die introductie astronomisch te laten kloppen werd het jaar 46 v.Chr. kunstmatig verlengd tot 445 dagen — het langste jaar in de menselijke geschiedenis — en werden twee extra maanden toegevoegd zodat het jaar voortaan in januari begon.

Januari werd genoemd naar Janus, de tweergezichtige god die begin en einde bewaakt — een god met militaire connotaties, omdat wintertijd veldslagen stillegt en plannen dwingt. Caesar vernoemde ook een maand naar zichzelf (Juli), later kreeg Augustus Sextilis zijn naam en extra dag; februari verloor daardoor een dag, niet uit astronomische noodzaak maar uit keizerlijk opportunisme. Zo ontstond een kalender die Europeïsch imperialisme en zelfverheerlijking weerspiegelt: Afrikaanse cyclische kennis werd geherstructureerd tot lineaire tijd die beheersbaar en belastbaar is.

De tekst trekt een bredere lijn: de adoptie en herinterpretatie van Egyptische mythen door Rome en later door Constantijn droegen bij aan de vorming van westerse religieuze en culturele narratieven (Asaru/Osiris → symboliek rond dood en wedergeboorte, later geïntegreerd in christelijke frames). Wat we vieren als “nieuw begin” zou volgens de auteur evenzeer herinnering moeten oproepen aan wie kennis leverde en hoe die werd onteigend — een proces van narratiefdiefstal en institutionalisering van tijd als machtsmiddel.

De oproep is geen pleidooi om nieuwjaar af te schaffen, maar om te her-inneren: erkenning dat tijdsbegrip ook cyclisch kon zijn, gericht op afstemming met natuur en ritme in plaats van lineaire controle. De Denderah Disc zelf ligt achter glas, maar haar kennis kan opnieuw in ons collectief geheugen leven. Zo wordt de vraag opgeworpen: wetende dat 1 januari het resultaat is van politieke hervorming op basis van gestolen wijsheid, wat ga je ermee doen? De tekst maakt deel uit van een drieluiklezing van Ptah & Auset Ankh Re over slavernij en kolonialisme.