De Franse scholierenprotesten vormen de brandstof voor campagnes van radicaal links én rechts
In dit artikel:
Sinds 21 september protesteren Franse middelbare scholieren tegen de slechte staat van hun onderwijs. Ze klagen over vervallen schoolgebouwen, overvolle klassen en leraren die soms maandenlang niet worden vervangen. Die eisen zijn niet nieuw: vergelijkbare protesten vonden al plaats in 1990, 1997, 2005, 2006, 2018 en 2023. Ook toen leidde de druk geregeld tot extra overheidsinvesteringen, zonder dat de structurele problemen verdwenen.
De scholierenbeweging past in een langere traditie die teruggaat tot de jongerenprotesten van mei 1968. Vanaf de jaren tachtig richtten scholierenvakbonden zich steeds meer op concrete materiële kwesties. Volgens cijfers lijkt Frankrijk niet simpelweg te weinig geld aan onderwijs uit te geven: in 2023 lag de uitgave per leerling in de bovenbouw 28 procent boven het Oeso-gemiddelde. Dat komt mede doordat Franse leerlingen veel meer lesuren krijgen. Tegelijkertijd drukken onder meer kleine plattelandsscholen en pensioenlasten op de begroting, waardoor het feitelijke bedrag per leerling volgens onderzoek bijna tien procent lager uitvalt. Driekwart van de Franse kiezers vindt de klachten van de scholieren dan ook terecht.
De recente acties onderscheiden zich vooral door de omvang van het geweld. In bijna drie weken tijd werden volgens de autoriteiten meer dan 6600 scholieren gearresteerd en raakten ruim 700 agenten, 85 docenten en 200 leerlingen gewond. Op sociale media circuleren beelden van brandstichting, vernielingen en aanvallen op politie en hulpverleners. In La Ciotat werd een docent met benzine overgoten; in Marseille liep een voorbijganger brandwonden op nadat een vijftienjarige haar met een brandende deodorantbus besproeide. Ook werd een politieagente in opleiding door een groep jongens achtervolgd en mishandeld.
De geweldsexcessen worden door inlichtingendiensten als ongekend omschreven. Daardoor is de vraag naar de oorzaken van de escalatie belangrijker geworden dan de oorspronkelijke onderwijsclaims. De kwestie speelt bovendien in de aanloop naar verkiezingen over ongeveer een half jaar. Politici van radicaal links en radicaal rechts gebruiken de protesten om hun eigen maatschappijbeeld te versterken.
Het Rassemblement National van Marine Le Pen presenteert de rellen als onderdeel van een bredere normalisering van geweld in Frankrijk. Volgens RN-politici worden de scholieren gemanipuleerd door extreemlinks, dat bewust onrust zou aanwakkeren. Zij verbinden de gebeurtenissen met eerdere rellen, onder meer na de dood van de zeventienjarige Naël in 2023 en na sport- en muziekevenementen in 2025 en 2026. Een uitgelekte nota van de Parijse inlichtingendienst stelde eveneens dat linkse politieke bewegingen en studentenvakbonden de protesten instrumentaliseren. Ook zou op sociale media een zogenoemde ‘blokkadechallenge’ zijn verspreid en zouden linkse activisten bij scholen flyers hebben uitgedeeld.
La France Insoumise van Jean-Luc Mélenchon ontkent dat de partij de protesten organiseert of aanstuurt. Mélenchon zegt op te roepen tot geweldloos verzet, maar partijprominenten spreken zich niet altijd ondubbelzinnig tegen geweld uit. Zo verklaarde de burgemeester van Saint-Denis, Bally Bagayoko, dat geweld uiteindelijk gerechtvaardigd kan zijn. De partij legt de verantwoordelijkheid voor de escalatie vooral bij de politie. Het geweld van demonstranten zou een reactie zijn op buitensporig politieoptreden en op een volgens Mélenchon racistische vorm van ‘politiebarbarij’.
Die kritiek wordt versterkt door de harde Franse ordehandhavingsdoctrine. Terwijl veel andere Europese landen na samenwerking in het zogenoemde Godiac-project een de-escalatiemodel ontwikkelden, koos Frankrijk voor een aanpak waarbij de politie al bij de eerste ordeverstoring mag ingrijpen. De oproerpolitie beschikt bovendien over zware middelen, zoals traangasgranaten en zogenoemde Flash-Balls, rubberkogels die in Frankrijk veel vaker worden gebruikt dan in andere Europese landen.
De spanningen namen verder toe nadat meerdere minderjarige demonstranten ernstig gewond raakten. Op 30 september verloor een zestienjarige in Tours vermoedelijk door een Flash-Ball het zicht in één oog. Een dag later liep een scholier in Argenteuil zwaar hoofdletsel op. Op 5 oktober verloor een vijftienjarige in Lens een hand door een exploderende flitsgranaat. Er lopen inmiddels achttien onderzoeken naar mogelijk excessief politiegeweld. Minister van Binnenlandse Zaken Laurent Nuñez, die de politie geen opdracht tot terughoudendheid gaf en het gebruik van alle niet-dodelijke middelen toestond, heeft het inzetten van flitsgranaten inmiddels verboden.
Of die maatregel de situatie kan kalmeren, is onzeker. De protesten draaien inmiddels niet meer alleen om onderwijs, maar ook om de vraag wie verantwoordelijk is voor het geweld: radicaal links dat rellen zou aanwakkeren, of een politieapparaat dat volgens critici onnodig hard optreedt. Daarmee zijn de scholierenacties uitgegroeid tot een belangrijk strijdpunt in de steeds verder polariserende Franse verkiezingscampagne.
Vandaag Inside: Johan Derksen schrok tijdens FC Groningen - Ajax: ‘Die kan er helemaal niets van!’