De EU heeft de macht van nationale regeringen overgenomen - deel II
In dit artikel:
Critici constateren dat de overdracht van beleidsmacht van lidstaten naar Brussel sinds 2019, onder leiding van Ursula von der Leyen, in een stroomversnelling is geraakt. De coronapandemie fungeerde als belangrijke katalysator: in 2020 lanceerde de EU het gemeenschappelijke schuldenprogramma NextGenerationEU met als kerninstrument de Recovery and Resilience Facility (RRF). Voor het eerst financierde de Unie op grote schaal projecten in lidstaten met gezamenlijk aangetrokken leningen, waardoor miljarden richting zwakkere economieën stroomden zonder dat nationale parlementen veel invloed hadden op de beslissingen.
Naast de financiële steun trad de Europese Commissie actief op als centrale coördinator van volksgezondheidsbeleid tijdens de crisis. Regeringsleiders en EU-instellingen overlegden in ongekend tempo — soms dagelijks — over test- en quarantainebeleid, grensmaatregelen, gezamenlijke inkoop van beschermingsmiddelen en vaccins, vaccinatiestrategieën en zelfs vragen rond vaccinatieplicht. Deze operationele sturing onder het voorzitterschap van de Commissie wekte bij velen verbazing over de harmonisatie van ingrijpende maatregelen tussen lidstaten en roept de vraag op hoe nationale parlementaire enquêtes naar het coronabeleid al die Brussels gecoördineerde besluiten in beeld kunnen brengen.
Niet alleen crisisbeheer maar ook reguliere wetgeving is in omvang en reikwijdte gegroeid. Vele beleidsterreinen die voorheen vooral nationaal werden ingevuld — klimaat en energie, digitale regulering, databescherming, financiële markten, migratie en consumentenbescherming — worden steeds meer door EU-wetgeving bepaald. Belangrijk onderscheid: Europese richtlijnen laten ruimte voor nationale omzetting, maar verordeningen treden rechtstreeks in werking en vragen geen tussenkomst van nationale parlementen. De hoeveelheid Europese juridische documenten is intussen torenhoog: van januari tot 10 juni 2026 publiceerde de Commissie in het Nederlands duizenden juridische stukken, waarvan vele direct van toepassing zijn op Nederland — een hoeveelheid die volgens de auteur voor politici nauwelijks nog bij te houden is.
Een concreet voorbeeld van deep‑level Europese regulering betreft anti-witwasregels (AMLD’s). Sinds de jaren negentig zijn meerdere richtlijnen ingevoerd die strikte klantidentificatie, meldingsplicht voor financiële instellingen, UBO-registers en intensievere transactietoezichten verplichten. Dit heeft geleid tot praktijkproblemen zoals vaker afgewezen bankrekeningen, oplopende kosten voor particulieren en bedrijven, meer operationele taken bij banken en aantasting van privacy. Met de oprichting van de Europese Anti-Money Laundering Authority (AMLA) wordt ook toezicht verder geconcentreerd op EU-niveau.
De auteur plaatst dit beeld in historisch perspectief: na het mislukken van de EU-Grondwet (2005) werd het Verdrag van Lissabon aangenomen, met grotendeels vergelijkbare instrumenten, waardoor belangrijke integratiestappen mogelijk werden gemaakt zonder brede nationale referenda. Sindsdien, zo stelt de tekst, is een stiltecampagne van machtsoverdracht aan Brussel voortgezet via instrumenten als het Europees Semester (begrotingscontrole), gezamenlijke schuldopbouw, regeldruk en beleidssturing tijdens verkiezingen en crisismomenten. Ook toekomstige voorstellen — zoals directe EU-heffingen op vermogen — worden genoemd als voorbeelden van verdere centralisatie.
Kort gezegd: de tekst waarschuwt dat de EU onder de huidige koers steeds meer nationale beleidsruimte en democratische controle wegneemt, deels via juridische instrumenten en deels via crisiscoördinatie. Voor iemand die hier nu op wil letten, zijn relevante waarnemingspunten: het verschil tussen richtlijnen en verordeningen, de rol en macht van de Europese Commissie versus nationale parlementen, en hoe gezamenlijke financiële instrumenten en nieuwe Europese toezichthouders bevoegdheden veranderen.