De eerste bewoners van deze Amsterdamse buurt moesten erg wennen: de huizen waren net 'paleizen', met stromend water en riolering

zaterdag, 23 mei 2026 (03:02) - Het Parool

In dit artikel:

De Handwerkers Vriendenkring (HWV) ontstond in 1869 uit liberale initiatieven om de ergste armoede in Amsterdam te bestrijden, met een sterke focus op de Joodse armenwijken rond Waterlooplein, Jodenbreestraat en de eilanden Uilenburg, Rapenburg en Marken. Veel bewoners leefden in krotten en kelders en verdienden het bestaan als kleine marktkooplui. De HWV bood praktische hulp: kleine leningen voor gereedschap, cursussen en opleidingen in het verenigingslokaal aan de Nieuwe Achtergracht, een bibliotheek en betaald onderwijs voor kinderen van leden. Het ledental bestond uit uiteenlopende ambachtslieden; diamantbewerkers waren de grootste groep.

Na de oprichting van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond in 1894 verschoof de HWV haar inzet: ze exploiteerde badhuizen, richtte het eerste Amsterdamse ziekenfonds op, startte nijverheidsscholen en richtte in 1911 het Bouwfonds Handwerkers Vriendenkring op om betaalbare arbeiderswoningen te realiseren. De Woningwet van 1901 maakte gemeenten verantwoordelijk voor woonomstandigheden en bood rechtsvormen toegang tot subsidies voor woningbouw, wat de bouwactiviteiten mogelijk maakte.

Toen de gemeente Amsterdam de sterk vervallen Jodenbuurt wilde saneren, kreeg ingenieur J.W.C. Tellegen de opdracht een plan te maken en zocht hij een betrouwbare ‘Joodse’ partner: de HWV. Het Bouwfonds bouwde passende woningen aan de Nieuwe Uilenburgerstraat; voor de bewoners die niet terug konden keren werd een tweede bouwlocatie gekozen in de toen in aanbouw zijnde Transvaalbuurt. Verschillende woningbouwverenigingen realiseerden daar in de jaren rond 1914–1917 hun eerste complexen; het relatief kleine HWV-blok in de Maritzstraat uit 1917 was hun eerste bouwproject en kenmerkt zich door een robuuste bakstenen gevel met tegeltableaus.

De nieuwe woningen, met stromend water en riolering, maakten van de Transvaalbuurt langzaam een levendige wijk. Bewoners moesten wennen aan de afstand tot hun oude buurt, maar de moderne huizen en de toezichtstructuur leerden hen ’burgerschapspraktijken’. Religieuze tradities waren in veel gezinnen minder dominant; politieke verbondenheid met socialisme of communisme werd sterker, zonder dat Joodse culturele kenmerken verdwenen — winkels boden typische producten en gemeenschappelijke gewoonten bleven bestaan.

Met de Duitse bezetting kwam het einde: in november 1941 werd de HWV ontbonden omdat zij volgens nazi-criteria te Joods was; bezittingen, waaronder het ziekenfonds Ziekenzorg, werden onteigend. Op 16 april 1942 moest ook het Bouwfonds-bestuur vertrekken en het woningbezit ging naar de Gemeentelijke Woningdienst. Vrijwel alle Joodse bewoners werden in de daaropvolgende maanden en jaren gedeporteerd en vermoord. Na de oorlog lag de Transvaalbuurt er verlaten bij; tijdens de Hongerwinter werden woningen als houtvoorraad gebruikt. Dit stuk is een bewerkte weergave van een artikel uit Ons Amsterdam over de Transvaalbuurt.