De een moet verdrinken, opdat de ander kan ademen - dat is de ethiek achter de metafoor van de reddingsboot
In dit artikel:
In Vincent Delecroix’ roman Naufrage (2023), die is gebaseerd op ware gebeurtenissen, klinkt de ijzingwekkende boodschap van een Franse alarmcentraliste: ze weigert redding aan drenkelingen in het Kanaal en schuift verantwoordelijkheid naar Britse reddingsdiensten. Op de nacht van 23 op 24 november 2021 belde ten minste één man herhaaldelijk – bijna drie uur lang – om hulp terwijl zijn rubberboot water maakte. De centraliste gaf tegenover hulpverleners onjuiste informatie over de beschikbaarheid van Franse middelen en loog tegen een Franse trawler dat redding onderweg was; uiteindelijk verdronken hij en minstens 27 anderen. De scène is het startpunt voor een bredere analyse van wat de auteur en verschillende denkers “reddingsbootethiek” noemen: een manier van denken die schaarste naturaliseert en uitsluiting legitimeert.
De column koppelt deze actuele casus aan de intellectuele voorgeschiedenis van de lifeboat-metaforiek. Garrett Hardin’ s essays (1968, 1974) populariseerden het beeld van een rijke boot die zichzelf moet afsluiten om overconsumptie en ‘verdringing’ te voorkomen. Hardins argumenten fungeerden als morele rechtvaardiging voor het beperken van hulp en migratie en vervlechten zich met racistische en eugenetische stromingen; hij stond lange tijd dicht bij anti-immigratieorganisaties. Tegenover Hardins pessimisme plaatst Elinor Ostrom empirisch onderzoek dat laat zien dat gemeenschappen hun gedeelde hulpbronnen wél duurzaam kunnen beheren zonder privatisering of autoritair toezicht. Haar werk is een praktisch tegengewicht tegen de bewering dat commons onherroepelijk verloren gaan bij collectief gebruik.
Taal en metaforen spelen een centrale rol: volgens Pablo Valdivia zijn metaforen diep ingebed in ons denken en makkelijk inzetbaar door machtige actoren om angst en vijandbeeldvorming te voeden. Begrippen als “de boot is vol” of “migrantentsunami” dehumaniseren en creëren echokamers waarin mensen zich legitimeren tot harde, zelfbeschermende politiek. Politieke leiders en media versterken zulke beelden, en sociale media kapitaliseren op de emotionele respons die ze oproepen.
De levensgevaarlijke consequenties van die metaforiek zijn zichtbaar in hedendaagse beleidspraktijken. De tekst signaleert een normalisering van gewelddadige grenspolitiek: Frontex verschuift van coördinerende instantie naar bewapende grensmacht; pushbacks en illegale terugdrijvingen nemen toe; civiele hulpverleners en NGO’s worden beschuldigd of aangevallen; en staten herbewapenen maritieme infrastructuur — een ontwikkeling die de auteur “bewapende reddingsboot” noemt, met voorbeelden variërend van gigantische vliegdekschepen tot bewapende koopvaardijschepen. Europa toont selectieve empathie: waar miljoenen Oekraïners tijdelijke opvang kregen, reageert men in hetzelfde politiek bestel paniekerig op vluchtelingen uit andere regio’s. Nigel Farage en andere populisten hebben zelfs de kustreddingsdienst RNLI aangevallen als vermeende “migrantentaxi”.
Historische en juridische voorbeelden illustreren de dilemma’s rondom overleving en gedeelde verantwoordelijkheid. De zaak van de Mignonette (1884) — de schipbreuk en het daaropvolgende kannibalisme en proces — benadrukt dat noodtoestand geen vrijbrief is voor moord; het Engelse strafrecht verwierp de noodweer- of noodtoestandverdediging nadat bemanningsleden een jongen om het leven hadden gebracht om te overleven. Rechtshistorisch onderzoek laat zien hoe op raciale en sociale lijnen beslissingen over wie gered wordt, vaak al gedeeltelijk bepaald zijn.
Cultureel-philosofische reflecties verbinden die microgebaren van uitsluiting met macrostructuren van macht en economie. De Franse historicus Arnaud Orain beschrijft een “eindigheidskapitalisme” waarin machthebbers schaarste construeren om macht en middelen te concentreren; redding wordt zo een privilege in plaats van een plicht. Amitav Ghosh en anderen zien in de militarisering van grenzen en hulpbronnen een voortzetting van imperialistische patronen: rijke staten organiseren de wereld zo dat zij hun consumptie veiligstellen en klimaatvluchtelingen en andere slachtoffers buiten sluiten.
Tegelijkertijd zoekt de tekst naar alternatieven en nuanceringen. Itamar Mann haalt uit het Mignonette-verhaal een gedachte over een “gemeenschappelijke reddingsboot”: tradities, milieubeheer en sociale rechtvaardigheid moeten een rol spelen in noodrecht en beleid, en het strafrecht mag niet ongelijkheden reproduceren. Elinor Ostroms empirische voorbeelden bieden praktische protocollen voor gezamenlijk beheer van commons als tegenmodel voor Hardins angstgestuurde logica.
De kernboodschap is moreel en politiek: de retoriek dat “er niet genoeg is voor iedereen” functioneert als ideologische schijnverduistering die verantwoordelijkheid wegsluist. Als metaforen machtig zijn in het vormen van publieke instelling en beleid, dan ontmaskert de zaak van de centraliste in Naufrage de manier waarop taal, instituties en geweld samengaan om hulp te ontzeggen. In plaats van te berusten in een fatalistische reddingsbootlogica vereist een rechtvaardige reactie niet alleen woorden van mededogen maar structurele keuzes: gedeeld beheer van hulpbronnen, het ontmantelen van militarisering van grenzen, en het herstellen van wederkerigheid tussen schepen — figuurlijk en letterlijk — als norm in plaats van uitzondering.