De baanbrekende bioloog Niko Tinbergen (1907-1988) voelde zich vooral in zijn element in de vrije natuur
In dit artikel:
Gedragsbioloog Niko Tinbergen (1907-1988) groeide uit van een sentimentele Nederlandse natuurliefhebber tot een grondlegger van de moderne ethologie, de wetenschap van het diergedrag. Zijn belangrijkste les was dat dieren langdurig en zo veel mogelijk in hun natuurlijke omgeving moeten worden geobserveerd, waarna hypotheses met eenvoudige experimenten kunnen worden getoetst. Voor zijn werk kreeg hij in 1973, samen met Konrad Lorenz en Karl von Frisch, de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde.
Tinbergens kijk op dieren veranderde sterk door een expeditie naar Oost-Groenland in 1932. Daar zag hij hoe Inuit-jagers volledig afhankelijk waren van dieren voor voedsel en vervoer. Zeehonden werden doelgericht bejaagd en sledehonden die in de zomer niet nodig waren, werden aan hun lot overgelaten. De ervaring maakte duidelijk dat een romantisch beeld van inheemse gemeenschappen die vanzelfsprekend in harmonie met de natuur leven niet klopt. Dieren konden met respect worden behandeld, maar waren tegelijk middelen om te overleven. Tinbergen leerde dieren niet te vermenselijken en hun gedrag zo objectief mogelijk te beschrijven.
Zijn liefde voor de natuur was al vroeg ontstaan tijdens wandelingen in de duinen en vakanties op de Veluwe. Als tiener schreef hij over vogels en andere dieren en observeerde hij urenlang vanuit zelfgebouwde schuilhutten. Aan de Universiteit Leiden vond hij aanvankelijk weinig aansluiting bij het traditionele onderwijs, maar veldbioloog Jan Verwey stimuleerde hem. De beslissende doorbraak kwam in 1929, toen Tinbergen het gedrag van de bijenwolf, een graafwesp, onderzocht. Door dennenappels rond een nest te plaatsen en die kring na de oriëntatievlucht te verleggen, toonde hij aan dat de wespen visuele herkenningspunten gebruikten om hun nest terug te vinden.
Tinbergen bleef zijn hele carrière in het veld werken, vaak met studenten vanuit een tent of caravan. Bekend werd zijn onderzoek op Terschelling naar zilvermeeuwkuikens. Met kartonnen modellen van meeuwensnavels testte hij welke kleur het pikgedrag uitlokte; rood leek de voorkeur te hebben. Later bleek uit zijn oorspronkelijke aantekeningen dat de resultaten minder eenduidig waren en dat hij een methodologische fout achteraf statistisch had gecorrigeerd. Ook andere experimenten bleken bij herhaling of nadere controle minder overtuigend. Toch waren de onderzoeken baanbrekend voor een jonge wetenschap waarin peer review en strenge statistische standaarden nog nauwelijks bestonden.
Tinbergens invloed kwam vooral voort uit zijn manier van kijken: geduldig waarnemen, inductief een hypothese formuleren en die vervolgens testen. Zijn zogenoemde vier vragen bieden nog altijd een raamwerk voor gedragsbiologisch onderzoek. Wetenschappers kunnen vragen naar de fysiologische mechanismen van gedrag, de ontwikkeling ervan in het individuele dier, de functie voor overleving en voortplanting, en de evolutionaire oorsprong.
Zijn samenwerking met Lorenz werd tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig belast. Lorenz steunde het naziregime en publiceerde over raszuiverheid, terwijl Tinbergen wegens protest tegen Duitse zuiveringsmaatregelen twee jaar in een interneringskamp zat. Na de oorlog verbrak Tinbergen aanvankelijk het contact, maar in 1949 verzoenden de twee zich publiekelijk. Hun wetenschappelijke samenwerking werd uiteindelijk bekroond met de Nobelprijs.
Vanaf de jaren zestig werd de biologische benadering ook op mensen toegepast. Tinbergen onderzocht met zijn vrouw Lies kinderen met ernstig autisme en zag het herstel van de moeder-kindrelatie als mogelijke sleutel tot behandeling, een visie die inmiddels sterk omstreden is. Hij waarschuwde bovendien dat menselijk gedrag de milieucrisis veroorzaakte doordat de samenleving zich richtte op kortetermijncomfort en winst.
De toepassing van ethologische ideeën op de mens leidde tot felle kritiek. Schrijver Rudy Kousbroek vreesde dat gedragsbiologen mensen reduceerden tot dieren die door instincten worden beheerst en de invloed van cultuur onderschatten. Tinbergen wees die voorstelling af en stelde dat het onderscheid tussen aangeboren en aangeleerd gedrag te star was. Ook tegenwoordig bestaat discussie over zijn verbod op antropomorfisme. Volgens critici, onder wie zoöloge Christine Webb, kan een te mechanische blik ertoe leiden dat duidelijke overeenkomsten tussen menselijk en dierlijk gedrag worden ontkend. Voor Tinbergen was die terughoudendheid juist een voorwaarde voor betrouwbare wetenschap. Zijn rationele methode stond zijn verwondering over de natuur echter niet in de weg: juist het nauwkeurig bestuderen van dieren kon die verwondering verdiepen.
Vandaag Inside: Jesse Klaver ongemakkelijk na vraag bij Vandaag Inside: ‘Moeten we het daar over hebben?’