De arts ging in een ander kamertje 'het beste zaad eruit centrifugeren' en insemineerde vervolgens de moeder van Cas Reijnders met het zaad van een vreemde donor
In dit artikel:
Eén jeugdbeeld — Cas Reijnders (nu 35) op achtjarige leeftijd in een rode cape met een plastic zwaard tijdens een bezoek aan Museumpark Archeon — markeert in zijn herinnering het moment van onschuld die later wegviel. Tijdens de coronaperiode stuurde hij voor de grap een wangslijmmonster naar MyHeritage om zijn afkomst te onderzoeken. De uitslag toonde niet alleen geen Italiaanse roots, maar wel een onverwachte halfzus. Dat leidde, na dna-tests van zijn zussen Julieke (43) en Simone (33), tot een onthutsende ontdekking: Cas en Simone zijn verwekt met donorzaad, maar niet met het zaad van de man die hen heeft opgevoed; Julieke blijkt wél het dna van beide ouders te dragen.
Reijnders gebruikte deze persoonlijke ontdekking als vertrekpunt voor de vijfdelige NRC-podcast Koekoekskind, die hij samen met collega Kim Bos maakte. De podcast koppelt zijn familiegeschiedenis aan een groter probleem: jarenlang hebben sommige gynaecologen in Nederland bij vruchtbaarheidsbehandelingen eigen zaad of ander dan het afgesproken donorzaad gebruikt. Namen als Henk Ruis, Jan Wildschut en Jan Karbaat kwamen de afgelopen jaren in het nieuws. Historisch onderzoeker Adriejan van Veen karakteriseerde het fenomeen recent als een systeemprobleem binnen de fertiliteitszorg.
De familie van Reijnders herinnerde zich bezoeken aan een kliniek in Gemert, waar gynaecoloog Henk Ruis de behandeling uitvoerde. Ouders dachten aanvankelijk aan een ongeluk, bijvoorbeeld ‘kruisbesmetting’ of onzorgvuldigheid bij het centrifugeren van zaad, maar documenten, getuigenissen en het bredere patroon van vergelijkbare gevallen doen ook opzettelijkheid vermoeden. Ruis zelf gaf in gesprekken vaagheden als verklaring, wat Reijnders steeds minder geloofwaardig vindt.
De impact is vooral emotioneel: identiteitsverlies, rouw om de onschuld die verdween en schaamte bij de moeder, die de ervaring lang voor zich hield. Reijnders beschrijft boosheid richting de arts, maar ook het moeilijke besef dat, zonder het handelen van die artsen en donoren, hij er niet zou zijn geweest — een ambivalente verhouding tot zowel dader als bron van zijn bestaan. Stichting Fiom meldde dat er nog tientallen halfbroers en -zussen zijn en dat de donor in principe openstaat voor contact; Reijnders wil voorlopig geen contact.
De zaak illustreert ook een bredere historische context: kunstmatige inseminatie was decennialang grotendeels ongereguleerd, met pas in 2004 een verbod op anonieme donatie en later regels over het aantal nakomelingen per donor. Publieke aandacht nam toe door faillissementen van dna-bedrijven en onthullingen over frauderende klinieken. Voor Reijnders leidde het persoonlijke drama tot journalistiek onderzoek en publieke uitwisseling — recentelijk gedeeld tijdens een avond in De Rode Hoed — en tot gesprekken binnen het gezin over wie ze zijn en hoe ze verder willen met de nieuwe waarheden.