De Arabische Lente leek even een succesverhaal, maar vijftien jaar later worden de opstanden als mislukt beschouwd. Toch is er ook trots
In dit artikel:
Op 13 januari 2011, in de Rue de Cologne in hartje Tunis, werd de 23‑jarige restaurantmanager Anis Farhani tijdens een demonstratie tegen president Zine El Abidine Ben Ali door een eerste luitenant van de oproerpolitie neergeschoten; hij overleed de volgende ochtend, de dag dat Ben Ali het land ontvluchtte. Zijn broer Sofiane zag Anis later terug op amateurbeelden en richtte zich samen met andere families op erkenning en waarheidsvinding. Uit die betrokkenheid ontstond Awfiya (De Getrouwen), een netwerk van slachtoffervaders en -gezinnen dat wilde voorkomen dat de offers van de revolutie werden vergeten of genegeerd.
De eerste maanden na de opstanden leken succesvol: de protesten, aangewakkerd door de zelfverbranding van straatverkoper Mohamed Bouazizi op 17 december 2010, verspreidden zich snel over de Arabische wereld. Toch volgde vrijwel direct een tegenreactie van bestaande machtsstructuren en buitenlandse belangen. In Tunesië bleven tal van oud‑ministers en ambtenaren invloedrijk in de overgangsperiode; volgens Sofiane en anderen saboteerden interne “deep states” samen met bondgenoten in de Golfstaten het democratische proces, onder meer door druk uit te oefenen op commissies en door publieke debatlijnen te sturen.
Die tegenreactie manifesteerde zich ook elders: in Egypte verrees na een militaire interventie Abdel Fattah al‑Sisi als sterkeman met steun van de Golfstaten; in Libië kreeg generaal Khalifa Haftar internationale rugdekking om het oosten te beheersen. Media uit Saoedi‑Arabië hielpen soms het beeld te verspreiden dat de revoluties het werk waren van buitenlandse complotten. Wat aanvankelijk de Arabische Lente heette, veranderde zo voor veel landen in een “Arabische Winter” met staatsgrepen, burgeroorlogen en teruggekeerde autoritaire praktijken.
Tien jaar na de opstanden kreeg Tunesië opnieuw een leider die door critici als een kopie van Ben Ali wordt gezien: president Kais Saied, die met wetswijzigingen ook symbolisch de herdenkingsdatum van de revolutie aanpaste van 14 januari naar 17 december. Dat onderstreept volgens tegenstanders hoe kwetsbaar de verworvenheden zijn gebleven.
Sofiane Farhani verliet intussen Tunesië omdat zijn activisme hem onveilig maakte. Toch blijft hij vasthouden aan de betekenis van 14 januari: vrijheid is volgens hem niet zomaar een gegeven maar iets dat met offers is behaald — “onze vrijheid is gesmeed in bloed en opoffering” — en zal niet eenvoudig uit het collectieve geheugen verdwijnen. Awfiya en soortgelijke groepen willen blijven aandringen op erkenning, waarheidsvinding en het behoud van de revolutionaire erfenis ondanks binnenlandse en internationale tegenkrachten.