De 9 Nederlandse mezen
In dit artikel:
In Nederland komen negen mezen voor, waarvan de meeste van nature in bossen leven; daarom zie je ze ook vaak in tuinen en op balkons, vooral als daar naaldbomen staan. Het meest waarschijnlijk in je tuin zijn de koolmees en pimpelmees: samen vormen zij ongeveer negen van de tien waarnemingen. Herkenningshulp: de koolmees heeft een zwarte “pet”, de pimpelmees een blauwe kop.
Af en toe zie je andere tuingasten zoals de zwarte mees (lijkt op de koolmees maar heeft een witte vlek achterop de kop en een beige borst zonder zwarte stropdas) of de kuifmees, die opvalt door een opvallende kuif en vooral in het oosten voorkomt; beide soorten broeden in naaldbossen en duiken in herfst en winter vaker in tuinen op, vaak jonge vogels zonder eigen territorium.
Matkop en glanskop zijn zo op elkaar dat ze lang voor één soort werden gehouden. Beide hebben een zwarte kop en een overwegend beige lichaam, waardoor ze verschillen van de kool- en zwarte mees met hun (gedeeltelijk) grijze vleugels; voor wie goed kijkt zijn er wel kenmerken om ze te onderscheiden.
Tot slot is er een klein, afwijkend drietal: de staartmees, baardman en buidelmees. De staartmees is een klein bolletje met een opvallend lange staart, broedt in gemengde of loofbossen en trekt in groepen door tuinen in de winter. Baardman en buidelmees lijken minder op de “klassieke” mezen qua leefwijze: zij broeden niet in bossen maar in rietvelden en langs waterkantbeplanting (baardman in riet, buidelmees in bomen met afhangende twijgen zoals wilgen). Om deze twee te zien moet je naar moerassen en grote watergebieden—bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen voor de baardman en in de winter langs het Ketelmeer voor de buidelmees.
Kortom: met weinig moeite en vooral met een conifeer in de tuin of een rustige wandeling langs plas of rivier kun je de meeste Nederlandse mezen spotten.