David Bowie is nog steeds 'helemaal terug'
In dit artikel:
In The Blackheath House, een nieuw café in Zuidoost-Londen, hangt een portret van David Bowie boven het ontbijt — een passende herinnering aan Bowies vroege band met de wijk Blackheath. Het was daar, in 1963, dat de vijftienjarige David Jones zijn eerste optreden als zanger beleefde. Zijn groepje, The Konrads, trad op in de verdwenen taveerne Green Man; nadat zanger Roger Ferris zich verwondde aan een gebroken bierglas, nam de jonge saxofonist Bowie spontaan het microfoonwerk over en zette daarmee een kleine mijlpaal in de popgeschiedenis.
Bowie groeide op in zuidelijke buitenwijken van Londen (o.a. Brixton en later Sundridge Park), buurman van toekomstige collega-roodkop Billy Idol, en ontwikkelde al vroeg een afwijkende uitstraling. Een jeugdrivaliteit met vriend George Underwood leidde tot een ongeluk waarbij Bowies linkeroog werd beschadigd; de blijvende verwijding van zijn pupil droeg later bij aan zijn dramatische uiterlijk. Een gekoesterde jeugdherinnering speelde zich af in Harrogate, waar de vijfjarige David koningin Elizabeth II zag en even bij haar in de buurt kwam — decennia later weigerde hij nogmaals een koninklijke eer, hij nam geen titel aan en stierf simpelweg als David.
Twee dagen vóór zijn dood in januari 2016 bracht Bowie het album Blackstar uit: een jazzy, ijzingwekkende plaat die achteraf door velen als zijn eigen requiem werd gezien, iets wat maar weinigen direct herkenden. Kort vooraf had recensent Neil McCormick een embargo gebroken en het album als triumfantelijke terugkeer bestempeld; Bowie zou erom hebben moeten glimlachen.
Het caféportret en de lokale anekdotes herinneren eraan dat Bowies wereldomspannende status wortels had in gewone Londense buurten en jeugdepisoden — kleine scènes die later een eigen mythevorming en artistieke identiteit hielpen vormen.