Dagboek van een Amersfoorter: Hoe een goed mens in verwerpelijk vaarwater belandde 

vrijdag, 1 mei 2026 (14:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Honoré Blijdenstijn (1883–1978), directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, hield van 1940 tot 1945 bijna dagelijks een omvangrijk oorlogsdagboek bij: drieëntwintig schoolschriften met samen ruim 420.000 woorden. Het manuscript behoort nu tot de collectie van Nationaal Monument Kamp Amersfoort; de regionale uitgeverij Spitwerk publiceerde onder de titel Met dichtgetimmerde ogen ongeveer een kwart van die aantekeningen. De editie werd thematisch en chronologisch ontsloten door cultuurhistoricus en achterneef Ronald Blijdenstijn, met toelichtende noten.

De notities geven een zeldzaam en rijk gedetailleerd beeld van het leven in een hongerig, angstig Amersfoort én van de gedachtenwereld van een man die in meerdere opzichten ‘fout’ genoemd kan worden. Blijdenstijn profileert zich aanvankelijk als een deftig, gezagsgetrouw man die Duitsland bewondert en Engeland en Rusland wantrouwt; hij fantaseert over een Nederland binnen een van Duitse invloed afhankelijke “Westgau”. Tegelijkertijd uit hij minachting voor leden van de NSB, die hij vaak als onaanzienlijke lieden bestempelt.

Het dagboek volgt belangrijke oorlogsevenementen — het bombardement op Rotterdam, de Jodendeportaties, Arnhem, de Schelde en de Hongerwinter — en beschrijft dagelijkse ontberingen: tekorten aan groenten en aardappelen, elektriciteitsbeperkingen, bombardementen en de voedselarmoede. Naarmate de bezetting voortduurt groeit zijn kritiek op het Duitse bestuur: vanaf mei 1942 tekent hij wezenlijke teleurstelling op over de gebroken beloften van de bezetter; in 1943 bestempelt hij de verplichte arbeidsinzet van jonge mannen als een vernietigende maatregel voor het Nederlandse volk.

Ook Kamp Amersfoort duikt meerdere keren op in zijn aantekeningen. Aanvankelijk lijkt hij geruchten over martelingen te relativeren, maar gaandeweg worden de berichten bevestigd; in 1944 ziet hij met eigen ogen hoe jonge mannen in ketens naar het kamp worden vervoerd en spreekt hij steeds scherper over de onmenselijkheid van het regime.

Deze publicatie is belangrijk omdat ze laat zien hoe een ogenschijnlijk respectabel bestuurslid geleidelijk in fout denken verstrikt raakt en uiteindelijk tot inkeer komt. Redacteur Eric van der Velden wijst erop dat oorlogsdagboeken zulke directe, ongefilterde getuigenissen vormen die de geschiedschrijving verrijken. Het gepubliceerde gedeelte biedt historisch inzicht in collaboratie, verzet, dagelijkse ervaring en morele verschuivingen tijdens de bezetting en is daarmee een waardevolle bron voor zowel onderzoekers als een breed publiek.