Daan Doesborgh wekt in zijn roman het 16de-eeuwse Amsterdam van bankier Pompejus Occo tot leven: 'Een te goed verhaal voor een wetenschappelijk werk'
In dit artikel:
Daan Doesborgh heeft met *Occo* zijn eerste roman geschreven over de Amsterdamse bankier Pompejus Occo, een invloedrijke figuur uit de zestiende eeuw. De dichter en podcastmaker baseerde zich jarenlang op archiefonderzoek, maar koos uiteindelijk voor een historische roman waarin Occo vanuit verschillende perspectieven wordt bekeken.
De roman opent bij de Nicolaaskerk, de voorganger van de latere Oude Kerk. Doesborgh verweeft Occo’s levensverhaal met de ontstaansgeschiedenis van het Amsterdamse mirakel van 1345. Volgens die overlevering bleef een uitgebraakte hostie ongedeerd nadat die in een vuur was geworpen. Rond de plek ontstond de Heilige Stede, die Amsterdam tot een belangrijk pelgrimsoord maakte.
Occo was afkomstig uit Oost-Friesland en vestigde zich in 1510 in Amsterdam. Hij groeide uit tot een vermogend bankier, werd kerkmeester van de Heilige Stede en trad op als financier van de Deense koning Christiaan II. In de stad bezat hij Het Paradijs, een groot huis tussen het Rokin en de Kalverstraat met kunstwerken en een omvangrijke bibliotheek. Van het gebouw rest alleen de fundering; die vormde mede de basis voor een digitale reconstructie die Doesborgh bij het schrijven gebruikte.
Aanvankelijk wilde Doesborgh onderzoek doen naar de Heilige Stede vanuit zijn achtergrond in de boekwetenschap en zijn specialisatie in laatmiddeleeuwse handschriften. De archieven brachten hem bij Occo. Vooral diens verhouding met de Deense koning en de affaire rond een Amsterdams marktmeisje, dat werd vermoord, overtuigden hem ervan dat het materiaal zich beter leende voor fictie dan voor een academische studie.
Het schrijfproces nam ongeveer acht jaar in beslag. Doesborgh wilde afstand houden van een traditionele historische roman en probeerde eerst een hedendaagse onderzoeker als verteller op te voeren. De historische scènes bleken hem uiteindelijk meer te boeien. Het werk van Hilary Mantel liet hem zien hoe een verleden invoelbaar kan worden gemaakt zonder voortdurend uit te leggen waarin het van het heden verschilt.
De verschijning van een recente historische studie van Herman Pleij over Occo maakte Doesborgh aanvankelijk onzeker, maar na lezing vond hij dat zijn eigen onderzoek overeind bleef. Occo is nog op verschillende manieren in Amsterdam aanwezig, onder meer in de naam van een hofje, een restaurant en enkele portretten. Zijn voormalige woning is verdwenen.
Doesborgh zegt Occo niet definitief te hebben kunnen typeren. Voor tijdgenoten was hij zowel een gerespecteerde weldoener als een mogelijke berekenaar. Daarom laat de roman meerdere personages aan het woord, zonder een sluitend oordeel over de bankier op te leggen. Tijdens het schrijven herkende de auteur bovendien een overeenkomst tussen zichzelf en zijn hoofdpersoon: beiden kwamen vanuit een provincieplaats naar Amsterdam om daar een bestaan en reputatie op te bouwen.
De Oranjezomer: Moet Xavi bellen met Memphis Depay? 'Hij moet hem afbellen!'