Christelijke voorgangers oordelen heel verschillend over knutselen aan embryonaal DNA

woensdag, 22 april 2026 (16:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Wendy Geuverink (54) promoveert donderdag aan de Vrije Universiteit Amsterdam op onderzoek naar morele opvattingen over kiembaanmodificatie — het aanpassen van erfelijk materiaal van een vroeg embryo. Hoewel kiembaanmodificatie in vrijwel alle landen verboden is, betoogt zij dat tijdige maatschappelijke reflectie en beleidsvorming nodig zijn omdat techniek en investeringen snel voortschrijden. Ze verwijst naar het Collingridge-dilemma: vroeg ingrijpen kan onmogelijk zijn omdat gevolgen onduidelijk zijn, maar als gevolgen zichtbaar worden, is regulering vaak te laat.

Haar onderzoek maakte deel uit van het Nederlandse DNA-dialoogtraject (gestart in 2019, met een vervolg dat in 2022 van start ging en tot september doorloopt), een initiatief van onder meer het Rathenau Instituut, NPV, Amsterdam UMC en Erasmus MC om burgergesprekken over genetische technologie te stimuleren. Geuverink richtte zich expliciet op groepen die in eerdere debatten onderbelicht waren: mensen met erfelijke aandoeningen en religieuze voorgangers.

Ze interviewde tien dragers van ernstige genetische aandoeningen (zoals de ziekte van Huntington en erfelijke borst- en eierstokkanker). De meeste van hen staan positief tegenover kiembaanmodificatie indien die strikt beperkt blijft tot zeer ernstige ziekten; uitbreiding naar bredere toepassingen werd door hen als problematisch voor de samenleving gezien. Veel geïnterviewden uitten zorgen over een “maakbare wereld”: sociale druk, stigmatisering van mensen met aandoeningen, en de vraag of toekomstige kinderen hun ouders zouden verwijten dat hun DNA niet aangepast is. Ook leeft bij velen de angst voor terugkerende vormen van eugenetica, vaak verbonden aan herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en het gevaar dat bepaalde lichamelijke kenmerken niet meer geaccepteerd worden.

Daarnaast sprak Geuverink zestien christelijke voorgangers uit een breed kerkelijk spectrum. Hun opvattingen bleken gevarieerd: niet alle orthodoxen verzetten zich, en niet alle vrijzinnigen waren voorstander. Persoonlijke ervaring met zieke gemeenteleden blijkt een belangrijke factor die standpunten kleurt. Voorgangers zijn volgens Geuverink waardevolle gesprekspartners omdat zij gewend zijn morele vraagstukken te analyseren en hiervoor een taal hebben die helpt om lijden, ziekte en ethiek te duiden.

Het onderzoek sluit aan bij Geuverinks eigen achtergrond: ze is lid van een remonstrantse gemeente en ontdekte in 2010 dat ze drager is van het BRCA2-gen; over moeilijke medische keuzes schreef ze eerder het boek In mijn familie. Haar conclusie is dat een breed, goed geïnformeerd en inclusief maatschappelijk debat nodig is om beleid te vormen voordat nieuwe biotechnieken onomkeerbaar worden ingevoerd.