Cees Nooteboom en de kunstgeschiedenis: alleen kunst die steeds opnieuw geïnterpreteerd wordt, doet er toe

dinsdag, 17 februari 2026 (18:03) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Cees Nooteboom maakt in zijn romans, reisverhalen en essays regelmatig van beeldende kunst meer dan decor: kunststukken functioneren als metaforen, plotmotieven en prikkels tot filosofische overpeinzingen. In werk uit de jaren tachtig tot het begin van deze eeuw (onder andere Rituelen, 1980; In de bergen van Nederland, 1984; De omweg naar Santiago, 1992; Nootebooms hotel, 2002) recureren schilderijen, beelden, prenten en een enkele theekom als dragers van schoonheid, mysterie en existentiële twijfel.

Als voorbeeld gebruikt hij klassieke iconen en renaissancestukken om personages en aantrekkingskracht te typeren: de naakte Io omhuld door een wolk (associaties met Correggio en de mythe van Jupiter) en verwijzingen naar de Venus van Milo en Leonardo’s Vitruviaanse mens illustreren hoe kunstbeelden lichamelijkheid en ideaal kunnen oproepen. Ook de bronzen krijgers uit Riace fungeren bij hem als maatstaf van menselijke perfectie. In Rituelen neemt een Japanse theekom zelfs de rol van centrisch object in — een voorwerp dat niet alleen sierlijk is, maar verhalen en betekenis in zich draagt.

Nooteboom toont evenzeer een diepgaand arsenaal aan kunsthistorische kennis. In Rituelen laat hij personages een zeldzame prent van Baccio Baldini opsporen en de herkomst en verzamelaarsmerken in naslagwerken traceren; in essays en reisverhalen bespreekt hij romaanse en gotische gevels, kapitelen en altaarstukken met aandacht voor stijl, herkomst en publicatiegeschiedenis. Die aandacht is niet louter eruditie: ze voedt de centrale thematiek van zijn denken over kunst — de vraag hoe betekenis verandert wanneer liturgische of gebruiksvoorwerpen in musea terechtkomen en hun oorspronkelijke context verliezen.

Die verandering van betekenis wekt bij Nooteboom zowel melancholie als angst. Middeleeuwse beelden en retabels die ooit functies in religie hadden, lijken hem nu vaak vervreemd: hun oorspronkelijke verhalen zijn verdwenen en er rest alleen nog de vorm. Die onthechting roept existentiële vragen op over herkenning van het denken van vorige generaties en over wat er overblijft als betekenissen wegvallen. In zijn reisverslagen kan die twijfel omslaan in bijna apocalyptische beelden — bijvoorbeeld de gedachte dat uitgestalde heiligenbeelden tot leven zouden kunnen komen en de toeschouwer belagen — een literaire overdrijving die zijn ongemak illustreert.

Tegelijk blijft Nooteboom door kunst ook getroost en geboeid. Zijn essays over Caspar David Friedrich en reflecties op de waarde van herinterpretatie benadrukken dat alleen kunst die telkens opnieuw betekenis krijgt relevant blijft. De beroemde formulering ‘kijken en stil zijn’ vat zijn idealiterespons samen: het aanschouwen van kunst zonder onmiddellijk te willen omvatten of verklaren. Maar hij erkent ook dat die houding illusoir is; kennis en eerdere interpretaties kleuren altijd de blik. Zo balanceert Nooteboom tussen ontzag, wetenschappelijke nieuwsgierigheid en het besef dat achtergrondkennis de puurheid van de ervaring onvermijdelijk beïnvloedt.

Kortom: Nootebooms omgang met beeldende kunst is ambivalent en rijk gelaagd. Kunst is bij hem bron van esthetische bewondering, narratieve energie en intellectuele speurtocht, maar tegelijkertijd aanleiding tot bezorgdheid over verlies van betekenis en de onvermijdelijke invloed van kunsthistorische bagage op ons kijken.