Cat Stevens wist het in 1975 zeker: hij wilde een moslim zijn en werd Yusuf Islam - en ook de muziek bleef lonken

woensdag, 17 december 2025 (12:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Cat Stevens — geboren Steven Demetre Georgiou (1948) in Londen — maakte in de jaren zestig en zeventig furore als popster met hits als I Love My Dog, Matthew and Son, Wild World en Father and Son. Toch zat achter de glitter en succes een diepe, levenslange zoektocht naar zingeving. Zware gezondheidsklachten (tuberculose in 1969), jeugdherinneringen aan bijna-doodervaringen en een blijvende fascinatie voor religieuze rituelen zetten hem aan tot reflectie. In 1975, na een bijna-verdrinking bij Malibu waarin hij God aanriep, kreeg die zoektocht een beslissende wending: twee jaar later bekeerde hij zich tot de islam en nam hij de naam Yusuf Islam aan. Kort daarna trok hij een streep onder zijn carrière als Cat Stevens en stopte hij met optreden.

De bekering was ingrijpend en ontnam zijn fans een geliefde popheld. Voor Yusuf zelf betekende het het begin van een nieuw leven waarbij spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid centraal kwamen te staan. Hij sloot zich aanvankelijk aan bij een strikte opvatting die muziek tijdelijk afwees, richtte zich op gezinsleven (huwelijk in 1979, vijf kinderen) en gebruikte zijn middelen om in 1983 in Londen een islamitische basisschool op te richten — een poging om religie en modern onderwijs te verenigen. Die inzet paste in een bredere inzet voor liefdadigheid en humanitaire acties: tijdens conflicten in de jaren tachtig en negentig (onder meer rond Afghanistan en Bosnië) organiseerde hij hulpinitiatieven en benefieten en bemiddelde hij soms in lastige situaties, zoals pogingen om gegijzelde Britten vrij te krijgen.

Yusuf Islam werd door zijn bekendheid onbedoeld een publieke vertegenwoordiger van de Britse islam. Die rol leidde tot problemen: zijn publiek optreden tijdens de Rushdie-affaire eind jaren tachtig werd verkeerd geïnterpreteerd en opgeblazen in de media, met nadelige koppen die hem lang zouden achtervolgen. Ook kreeg hij in 2004 internationale aandacht toen hij bij aankomst in de VS werd vastgehouden en op de no-fly list bleek te staan — een incident dat deels samenhing met eerdere beschuldigingen rond liefdadigheidswerk en zijn kritische houding ten aanzien van de Irakoorlog.

Tegelijkertijd bleef de liefde voor muziek latent aanwezig. Na jaren van aarzeling en het afwegen van religieuze opvattingen over muziek vond Yusuf Islam geleidelijk een weg terug naar het componeren en zingen. Rond de eeuwwisseling keerde hij terug naar de studio en in 2006 bracht hij onder de naam Yusuf het album An Other Cup uit, waarmee hij zichzelf publiekelijk weer deels verenigde met zijn vroegere artiestenidentiteit. Zijn verhaal toont de moeite van een bekeerling om een middenweg te vinden tussen westerse culturele leefwereld en religieuze overtuiging: voor seculiere Britten bleef hij toch vaak een religieuze buitenstaander, terwijl conservatieve moslims hem soms te westers vonden.

Centrale motieven in zijn levensloop zijn de zoektocht naar innerlijke echtheid, de invloed van bijna-doodervaringen en religieuze teksten (de Koran, en in het bijzonder het verhaal van profeet Yusuf), en de spanning tussen persoonlijke spiritualiteit en publieke verantwoordelijkheid. Yusuf Islams transformatie van popidool naar religieus activist en later naar een artiest die zijn geloof tracht te verzoenen met muziek, illustreert zowel de persoonlijke kosten als de maatschappelijke impact van zo’n radicale levenskeuze.