Cashen over de rug van klanten? Dankzij Europa kunnen financieel adviseurs dat blijven doen
In dit artikel:
Na de Nederlandse woekerpolisaffaire werd in 2013 een landelijk verbod op provisies voor complexe financiële producten ingevoerd om perverse prikkels bij tussenpersonen weg te nemen. Voormalig minister van Financiën Jan Kees de Jager en marktpartijen zien sindsdien betere, goedkopere en betrouwbaardere advisering in Nederland: consumenten krijgen volgens hen meer waar voor hun geld en de markt is niet verdwenen. Toch blijft in veel andere EU-lidstaten provisie het dominante verdienmodel voor adviseurs, vaak onzichtbaar ingebed in productkosten.
Onderzoeken van de Europese Commissie en toezichthouders laten zien dat provisies markten duurder maken: gemiddeld zouden producten ruim een kwart duurder zijn als er provisies in zaten, en in sommige gevallen vormen provisies 34–45 procent van terugkerende kosten. De Europese Rekenkamer waarschuwde dat beleggers niet voldoende beschermd zijn tegen buitensporige kosten of partijdig advies. Consumentenorganisaties klagen dat het probleem weinig publieke aandacht krijgt omdat de kosten ingewikkeld zijn weggemoffeld en het onderwerp technisch en ontoegankelijk is.
In Brussel leek er aanvankelijk steun te ontstaan voor een Europees verbod. Eurocommissaris Mairead McGuinness haalde het Nederlandse voorbeeld aan als bewijs dat een verbod werkt. Maar vanaf 2023 zette een krachtige lobby van verzekeraars, banken en adviseurs de rem erop. Financiële spelers schilderden doemscenario’s: een verbod zou een advieskloof veroorzaken, consumenten zouden onafhankelijk advies onvoldoende willen of kunnen betalen, en dat zou leiden tot minder beleggen of risicovoller zelfonderzoek. Lobbygesprekken van onder meer Zurich en Allianz met medewerkers van de Commissie en van topkaders zoals het team van Frans Timmermans en een naaste van Ursula von der Leyen vormen een onderdeel van die campagne.
De Commissie koos daarop voor een verzwakte aanpak (zogenaamde plan B): alleen provisies zouden verboden worden wanneer er geen advies was geleverd. Intern bleek de Commissie echter sceptisch en verwachtte ze dat dit gedeeltelijke verbod weinig zou veranderen. De wetsweg bood vervolgens ruimte voor verdere afbouw: Stéphanie Yon‑Courtin (Renew Europe), verantwoordelijk voor onderhandelingen namens het Europees Parlement, stelde later voor om ook plan B te schrappen. In december 2025 maakte zij een principeakkoord bekend met lidstaten; de uitkomst betekent dat het strikte verbod van tafel is en alleen beperkte marginale aanpassingen en een langere evaluatieperiode (van drie naar vijf jaar) overblijven.
Belangrijke politieke fracties – liberale partijen, christendemocraten en extreemrechts – steunden het compromis in het Parlement. Dat is opmerkelijk omdat die groepen doorgaans marktwerking en transparantie benadrukken, maar in deze dossiers kozen ze voor behoud van de status quo of minimale regulering. Ook wisselende politieke relaties binnen Europese zusterpartijen (CDA/VVD versus hun EU-collega’s) speelden mee; Nederlandse politici die het verbod steunden, konden op EU-niveau geen meerderheid mobiliseren.
Gevolg: consumenten in veel EU-landen blijven via verborgen provisies te veel betalen en hebben geen helder zicht op wie betaalt en wie adviseert. De Nederlandse ervaring suggereert dat een verbod de markt kan verbeteren, maar in Brussel won de financiële sector de lobbystrijd, waardoor structurele, EU-brede bescherming tegen partijdig en duur advies voorlopig niet komt.