Canon van de Stadsnatuur: ode aan voegenvullers en dakvlieders
In dit artikel:
De Hortus botanicus Leiden brengt samen met evolutiebioloog Menno Schilthuizen en natuurschrijver Dick de Vos de Canon van de Stadsnatuur uit. In vijftig vensters laten zij zien dat steden, naast hun meer dan 17.000 gekweekte planten, ook een rijk en veranderlijk ecosysteem vormen. Kamer- en tuinplanten verwilderen er, zuidelijke soorten trekken door klimaatverandering noordwaarts en dieren passen zich aan nieuwe stedelijke leefplekken aan.
De canon beschrijft onder meer hoe de rol van planten door de tijd verandert. Muurpeper en huislook werden vroeger op daken geplant als bescherming tegen bliksem, maar helpen nu tegen hittestress in de stad. Steenbreekvarens, ooit gebruikt voor hoestdrank, groeien tegenwoordig in groene wanden waar ze geluid dempen en bijdragen aan een prettiger binnenklimaat. Gele kamille, vroeger een verfplant, ondersteunt nu bestuivende insecten in natuurvriendelijke bermen.
DNA-onderzoek toont hoe soorten zich snel aanpassen. Zo blijkt de vrouwelijke Japanse duizendknoop die in 1832 in de Leidse Hortus terechtkwam niet de voorouder te kunnen zijn van alle verwilderde exemplaren in Europa. Andere, tweeslachtige planten uit Japan konden wel zaden vormen en verspreiden zich inmiddels verder in de Lage Landen.
Ook ontstaan nieuwe relaties tussen stadssoorten. Huismussen openen vruchtjes van klaverzuring, terwijl gespecialiseerde insecten op groendaken leven. Vogels verspreiden vervolgens stukjes dakvegetatie, waardoor zogenoemde dakvlieders elders wortelen. Volgens de auteurs is de mens de sleutelsoort die deze niches creƫert, maar hebben veel stedelingen nog weinig oog voor de natuur die daardoor vanzelf dichtbij komt.
Vandaag Inside: Wilfred Genee baalt van zichzelf In de Wandelgangen: 'Ik heb het belangrijkste nieuws niet gemeld!'