Brusselse regering telt honderden miljoenen aan uitgaven niet mee voor begroting in evenwicht
In dit artikel:
De nieuwe Brusselse regering wil tegen 2029 een structurele begrotingsinspanning van 1,2 miljard euro realiseren, maar trekt tegelijk honderden miljoenen uit voor “strategische participaties” die niet in die jaardoelstelling zullen meetellen. In het regeerakkoord staat één miljard voor zulke investeringen; daaronder vallen onder meer ongeveer 400 miljoen voor de Brusselse huisvestingsmaatschappij BGHM en 180 miljoen voor watermaatschappij Vivaqua. De kabinetten van de betrokken ministers bevestigen die bedragen, en de regering rekent erop dat deze eenmalige kredieten — na goedkeuring door Europese autoriteiten — de jaarlijkse begrotingsdoelstelling ontzien, terwijl ze wel de totale schuld van het gewest verhogen.
Die boekhoudkundige afbakening stuit op kritiek. Werkgeversorganisatie VOKA spreekt van een onverantwoorde werkwijze die op langere termijn nadelig is voor Brusselse belastingbetalers. Ook economen waarschuwen dat het hier om reële uitgaven gaat die slechts kunstmatig buiten de jaarraming worden gehouden. Volgens professor Willem Sas zitten veel bezuinigingscijfers in de plannen — zoals een aanwervingsstop die 125 miljoen moet opleveren en 37 miljoen via minder absenteïsme — nog onvoldoende onderbouwd en lijken ze eerder doelstellingen dan uitgewerkte routes naar besparing.
Tegelijk presenteerde MR-formateur Georges‑Louis Bouchez pistes om belastingen te verlagen: een “taxshift” op onroerende voorheffing, registratierechten en aanvullende personenbelasting zou, eenmaal volledig doorgevoerd tegen 2029, ongeveer 100 miljoen per jaar kosten. De regering wil ook blijven investeren in infrastructuur: de afwerking van Metro 3, bruggen en tunnels vergen de komende jaren meer dan 100 miljoen extra. In begrotingstabellen verschijnen verder posten zoals optimalisatie van hr (30 miljoen), algemene werkingsbesparingen (50 miljoen) en terugverdieneffecten van 80 miljoen, maar het ontbreekt volgens critici aan een concreet plan waarmee die bedragen realistisch gemaakt worden.
Tijd dringt: de regering in lopende zaken werkte met voorlopige budgets die eind maart aflopen. Minister van Begroting Dirk De Smedt kondigt aan dat hij uiterlijk 6 maart de begrotingsplannen voor de rest van 2026 aan het parlement zal voorleggen. Investeerders en financiële spelers vragen volgens deskundigen minder om het absolute tekortcijfer dan om geloofwaardige hervormingen en realistische onderbouwing van de besparingsmaatregelen.