Britse straatpredikant gearresteerd na kritiek op islam en genderideologie
In dit artikel:
Predikant Dia Moodley, een christelijke straatprediker, werd in november vorig jaar in Bristol door Avon and Somerset Police gearresteerd op verdenking van het aanzetten tot religieuze haat onder de Public Order Act 1986. De aanhouding volgde op openbare prediking waarin hij de islam en genderideologie bekritiseerde; hij zat circa acht uur vast en werd daarna op borgtocht vrijgelaten met de voorwaarde het centrum van Bristol niet te betreden, waardoor hij met name tijdens de kerstperiode niet kon prediken. Die beperkingen werden later teruggedraaid na bezwaar, maar in januari kwamen agenten opnieuw bij hem langs voor een uitnodiging voor een vrijwillig verhoor onder cautie. Het onderzoek loopt nog; het is onduidelijk of er strafrechtelijke vervolging volgt en Moodley overweegt juridische stappen tegen de politie.
Moodley zegt zich persoonlijk zwaar getroffen te voelen en spreekt van ongelijke handhaving: “Het voelt surrealistisch dat de politie mij zo hard en herhaaldelijk criminaliseert, enkel omdat ik vreedzaam mijn christelijke opvattingen uit,” aldus de predikant. Dit is niet zijn eerste confrontatie met autoriteiten: in maart 2025 werd hij eerder al aangehouden na vergelijkbare straatprediking, waarbij hij volgens zijn advocaten ook door omstanders werd mishandeld en bedreigd. Tegen die aanvallers zijn geen aanklachten ingesteld.
De zaak krijgt juridische bijstand van Alliance Defending Freedom (ADF), die betoogt dat Moodleys uitspraken vreedzaam en wettig waren en dat de openbare-ordewet wordt ingezet om religieuze kritiek te beperken. ADF-jurist Jeremiah Igunnubole waarschuwt dat dit neerkomt op een de facto invoering van godslasteringsregels en pleit voor wettelijke versterking van vrijheid van meningsuiting. Hij waarschuwt ook voor de plannen van de Britse overheid om een officiële definitie van ‘anti-moslimhaat’ in te voeren, waarvan hij zegt dat die te vaag is en leidt tot snelle bestempeling van kritische opmerkingen als ‘haatdragend’.
De zaak illustreert de spanningen tussen bescherming tegen haatmisdrijven en de vrijheid van religieuze en politieke uiting in openbare ruimte, en kan precedentwerking krijgen afhankelijk van de uitkomst van het lopende politieonderzoek en eventuele juridische procedures.