Brief aan mijn moeder
In dit artikel:
13 maart — elf jaar nadat zijn moeder overleed — schrijft zoon Celal een open, emotionele brief waarin hij het missen, de spijt en de herinneringen aan haar deelt. Hij beschrijft hoe haar stem, lach en aanwezigheid nog altijd in zijn gedachten voortleven en hoe het besef dat geboorte en dood buiten menselijke controle liggen de pijn niet verzacht.
Celal vertelt dat ook zijn vader (baba) inmiddels is overleden; diens grootste wens was weer bij zijn vrouw te zijn. Twee jaar voor zijn eigen dood bezocht de vader hem nog in Nederland. Tijdens dat bezoek confronteerde Celal hem met het onrecht dat hij de moeder had aangedaan. De vader brak en gaf toe schuldig te zijn — een moment dat de jongens relatie en de ingewikkelde mix van jaloezie en liefde in het gezin samenvat. Celal haalt terug dat zijn moeder hem ooit waarschuwde om niet de jaloerse trekjes van zijn vader over te nemen.
Een ander hardnekkig gevoel is schuld: Celal verontschuldigt zich dat hij niet bij haar sterven was, iets wat hij als een blijvende pijn ervaart. Hij reflecteert op wat het betekent een weeskind te zijn — niet alleen het verlies van ouders, maar ook het verlies van delen van je geschiedenis en kindertijd. Hij noemt herinneringen aan haar harde leven en haar opmerking dat zij al zoveel had meegemaakt dat ze haar lichaam als medicijn wilde laten gebruiken — een illustratie van de zwaarte van wat ze droeg.
De brief eindigt met een direct, liefdevol gemis: hij draagt haar altijd met zich mee, is trots dat zij zijn moeder was, en sluit af met een zinnetje in een andere taal en de ondertekening “Je zoon, Celal.”