Brandstofaccijns omlaag scheelt tientjes, maar vergroot ongelijkheid
In dit artikel:
Onderzoeksinstituut TNO waarschuwt dat een verlaging van de accijns op brandstof weliswaar snel verlichting kan brengen bij de hoge prijzen aan de pomp, maar duur is voor de overheidsfinanciën en ongelijk uitpakt. Een verlaging van 10 cent per liter levert huishoudens bij de huidige prijzen gemiddeld ongeveer 95 euro per jaar besparing op, maar die winst komt vooral terecht bij hogere inkomens: huishoudens met een laag inkomen besparen gemiddeld rond de 80 euro, terwijl hogere inkomens zo’n 120 euro per jaar winnen. Volgens TNO bereikt slechts circa 30 procent van het totale accijnsvoordeel de lagere inkomens.
De verklaring is simpel: wie meer kilometers rijdt — vaak mensen met hogere inkomens — verbruikt meer brandstof en profiteert daardoor meer van een lagere literprijs. Tegelijkertijd zijn juist huishoudens met weinig geld relatief het hardst geraakt, omdat tanken een groter deel van hun budget opslokt. Bij een prijs van 2,50 euro per liter kunnen sommige kwetsbare huishoudens met lage inkomens en veel autokilometers tot bijna 18 procent van hun inkomen aan brandstof kwijt zijn. Ongeveer 225.000 huishoudens vallen bij die prijs in de meest kwetsbare categorie; zij wonen vooral in Noord-Nederland, Zeeland, Limburg en in bepaalde buitenwijken van grote steden waar alternatieven voor de eigen auto schaars zijn. Een bredere groep ondermodale inkomens besteedt nu bijna 10 procent van het inkomen aan brandstof.
TNO noemt accijnsverlaging een snelle maar inefficiënte maatregel. “Een accijnsverlaging helpt direct, maar is inefficiënt,” zegt onderzoeker Peter Mulder. Omdat brandstofprijzen blijven schommelen door internationale markten en geopolitieke ontwikkelingen — dit is de tweede vergelijkbare schok in drie jaar — verhelpt zo’n stap de onderliggende kwetsbaarheid niet. Volgens TNO ligt de oplossing vooral in het terugdringen van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen: elektrisch rijden en andere alternatieven maken huishoudens minder gevoelig voor prijsschommelingen. Maar dat roept een nieuw probleem op: hogere inkomens kunnen vaker overstappen, terwijl mensen met lage inkomens door de hoge aanschafkosten achterblijven, waardoor de sociale kloof mogelijk verder groeit.