BP en Shell boeken miljardenwinsten door Iran-crisis, ExxonMobil ziet productie kelderen
In dit artikel:
Massale stijgingen van de olieprijs door de escalatie van het Midden-Oostenconflict leiden tot sterke resultaten voor handelende takken van grote oliemaatschappijen, terwijl fysieke schade in de Golfregio tegelijk productie en levering onder druk zet. Sinds eind februari, na aanvallen op Iraanse doelen door Amerikaanse en Israƫlische acties, klom de Brentprijs tijdelijk naar bijna 120 dollar; het kwartaalgemiddelde kwam uit op ongeveer 78 dollar per vat (tegen 63 dollar in het voorgaande kwartaal).
BP verwacht voor het eerste kwartaal van 2026 uitzonderlijke resultaten, vooral dankzij een sterke handelsdivisie en hogere raffinagemarges (stijging van circa 15,2 naar 16,9 dollar per vat), wat het resultaat met honderden miljoenen dollars verbetert. Onder CEO Meg O'Neill schuift BP enigszins terug richting meer investeringen in olie en gas, naast de lopende energietransitieplannen.
Ook Shell profiteert van hogere prijzen, met name in de marketing- en tankstationactiviteiten, maar ondervindt problemen bij LNG-leveringen. Iraanse aanvallen hebben Qatarese productie geraakt en de Straat van Hormuz is deels ongeschikt voor scheepvaart, wat langdurige impact op LNG-stromen kan hebben.
Niet alle spelers winnen. ExxonMobil zag de wereldwijde productie in Q1 met 6% dalen, grotendeels doordat schade aan een LNG-complex in Qatar twee productielijnen buiten werking zette; herstel kan jaren duren. Hoewel hogere prijzen Exxon ongeveer 2,5 miljard dollar extra opleveren, compenseren die niet volledig de productie- en winstverliezen.
Saudi Aramco-bestuurder Amin Nasser noemde de situatie de grootste crisis ooit voor de regionale olie- en gassector. Beleggers hopen op een de-escalatie om de operationele stabiliteit en toeleveringsroutes in de Golf terug te brengen.