Oud-FARC-leden startten boerderij: „We hebben de wapens neergelegd, maar dat betekent niet dat we onze revolutionaire idealen zijn vergeten"
In dit artikel:
Op een biologische boerderij aan de rand van Bogota komen ex‑FARC‑strijders en slachtoffers van het conflict samen om samen landbouw te bedrijven, te leren en te praten over een alternatief vredesproces. Granja Tibares in Usme, opgezet door ASOCUNT (de Vereniging voor Collectieve Opbouw, Eenheid en Transformatie), fungeert als werkplaats, school en ontmoetingsplek waar oud‑strijders en ontheemden samenwerken aan duurzame landbouw, sociale projecten en wederopbouw van vertrouwen.
Deelnemers zoals Eliana* (pseudoniem) zijn slachtoffers van geweld uit rurale gebieden als El Pato, waar na de ontwapening van de FARC nieuwe gewapende groepen het machtsvacuüm opvulden. Eliana verloor haar vader bij een bombardement in 2003 en moest in 2023 opnieuw vluchten na doodsbedreigingen aan het adres van gemeenschapsleiders. Op Tibares kookt en werkt ze samen met voormalige commandanten en andere buurtbewoners; op een recente zaterdag werd een lunch voor ongeveer 250 omwonenden georganiseerd, klaargemaakt door ex‑guerrilla’s en slachtoffers, als symbool van die wederzijdse inzet.
ASOCUNT ontstond in 2020 toen 127 ondertekenaars van het vredesakkoord teleurgesteld wegliepen uit de politieke partij Comunes en zelf een praktische invulling van reïntegratie en sociale rechtvaardigheid wilden geven. Rolando Acevedo, bekend als Octavio, zegt: “We hebben de wapens neergelegd, maar dat betekent niet dat we onze revolutionaire idealen zijn vergeten.” De organisatie richtte verschillende projecten op: een naaiatelier waar vrouwen en ex‑strijders werken, een winkel voor producten van ex‑guerrilla’s, en vooral de boerderij met een school voor biologische landbouw en een cultuurprogramma in een oude circustent. Het doel is zowel economisch zelfvoorzienendheid voor gedemobiliseerden te creëren als modellen te tonen voor rurale verbeteringen — een kernpunt uit het vredesakkoord dat in de praktijk nauwelijks is uitgevoerd.
De lokale initiatieven illustreren meteen waarom die hervormingen nodig zijn: zonder land, werk of huisvesting lukt reïntegratie meestal niet. ASOCUNT stelt dat bijna tien jaar na het akkoord veel voormalige strijders nog van uitkeringen leven; volgens de initiatiefnemers geldt dat voor zo’n 90 procent. De staat heeft wel delen van het akkoord uitgevoerd — president Gustavo Petro gaf jaren geleden ongeveer 600.000 hectare terug aan slachtoffers — maar dat is volgens betrokkenen slechts een fractie van wat was beloofd. Tegelijk nam het geweld in veel gebieden toe; meer dan 500 ex‑strijders werden na de ontwapening vermoord en in zones als El Pato strijden meerdere gewapende groepen om controle.
Tibares probeert die kloof te dichten met concrete, lokale accenten: kennisoverdracht over duurzame landbouw, cultuuractiviteiten voor kinderen en uitstapjes naar gemeenschapsopbouw. Toch blijft het werk gevaarlijk; leden van het collectief en andere bewoners krijgen nog steeds bedreigingen van paramilitairen en nieuwe wapengroepen en bewegen zich soms alleen onder bewaking.
De boerderij is dus zowel een praktijkvoorbeeld als een waarschuwing: kleinschalige, gezamenlijke projecten kunnen lokale relaties herstellen en economische alternatieven bieden, maar zonder grootschalige implementatie van landhervormingen en veiligheidsgaranties blijft het risico groot dat geweld terugkeert. Voor mensen als Eliana blijft de hoop op terugkeer naar hun platteland en op echte gerechtigheid levend, maar even fragiel als de recente vrede zelf.
*Naam gefingeerd om veiligheidsredenen.