Boeken van Jo Manders verzamelen - wat bezielde mijn moeder?

woensdag, 10 december 2025 (11:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Ik pak vaak Alfred Birney’s bloemlezing Oost-Indische inkt: 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren als een kostbaar voorwerp — en word er telkens treurig van. Toen het boek in 1998 uitkwam, gaf ik het aan mijn moeder. Ze las er slechts stukjes van; de expliciet antikoloniale toon riep bij haar kennelijk geen herkenning of troost op. Mijn vader, inmiddels overleden, had als lid van het Binnenlands Bestuur een paternalistische, doch zogenaamd progressieve koloniale blik: hij wilde ‘goed’ doen voor de inheemse bevolking, maar verwachtte ook gehoorzaamheid.

Birney laat zien hoe in de voormalige Oost (mede onder Portugese invloed) een gemengde Indische bevolkingsgroep ontstond die fungeerde als schakel tussen Europeanen en inheemsen. In de literatuur verandert daardoor de toon: nieuwsgierigheid, afkeer, onverschilligheid, minachting, pleidooien en blinde negeerstrategieën wisselen elkaar af — iets dat in de door Birney verzamelde fragmenten duidelijk naar voren komt.

Mijn moeder zocht in verhalen vooral natuurbeschrijvingen, kleine anekdotes en verhalen van volgehouden menselijkheid; haar boekenplank bevatte vooral Jo Manders, die ze belezen vond over het vooroorlogse Indië en over de Japanse interneringskampen na de oorlog. Manders’ bundel De lach uit leed geboren belicht het uithoudingsvermogen, de humor en de solidariteit van geïnterneerden — elementen waar mijn moeder zich aan vasthield en die ze soms met “Dat was bij ons ook zo” op zich betrok, zonder rechtstreeks over haar eigen lot in het kamp te spreken.

Een terugkerend thema in de herinneringen is de njai (de inlandse concubine): verhalen over mannen die hun njai achterlieten, en over vrouwen die hun half-Europese kinderen als volwaardig Europeaan beschouwden en zich daarom lieten interneren. Mijn moeder oordeelde hard over mannen met een njai; mijn vader probeerde die relatie te vergoelijken.

De bundels van Birney en Manders documenteren een cultuur die aan het verdwijnen is: ze bieden kostbare, maar ook vaak pijnlijke kleine verhalen — ‘diamanten’ die droefheid oproepen. Voor liefhebbers vormen ze een venster op een complex, ambivalent koloniaal verleden.