Blij met een beetje
In dit artikel:
2025 wordt door de auteur getypeerd als het jaar van het alles-of-niets‑denken: leiders als Poetin (totale onderwerping van Oekraïne), Netanyahu (uitschakeling van Hamas), Trump (vernietiging van politieke tegenstanders en migranten) en Wilders (dreiging met volledige afbraak bij geen radicaal‑rechts kabinet) voeren extreme, polariserende retoriek en politiek. Die lijn is niet alleen politiek theater; het weerspiegelt een psychologische houding die psychiater Aaron Beck al omschreef als alles‑of‑nietsdenken — een cognitieve vertekening die via hoge verwachtingen in eigen falen, vijandigheid tegenover anderen en fatalisme over de toekomst kan uitmonden en zo ook op maatschappelijk en staatsniveau schadelijk uitpakt.
Die zwart‑witlogica heeft volgens de auteur het vertrouwen in internationale instituten en het internationaal recht zwaar ondermijnd. Kranten en fora signaleren al dat het internationale recht ter discussie staat: militaire acties van staten, de oorlog in Gaza en Amerikaanse aanvallen op Iran voedden het beeld dat regels niet (meer) bindend zijn. Het Internationaal Strafhof krijgt kritiek van verschillende kanten — beschuldigingen van vooringenomenheid tegenover Afrika of juist tekortschieten ten aanzien van Israël — en sommige stemmen pleiten zelfs voor opheffing. Tegelijk ontstaat een reflex waarbij kritiek op Rusland of China meteen leidt tot verwijten aan het Westen, waardoor alle regels tegen elkaar worden uitgespeeld.
De schrijver pleit tegen die verabsolutering. Hij onderschrijft een waardengeoriënteerd buitenlands beleid, maar waarschuwt dat idealisme zonder realiteitszin onproductief is. Hij citeert hedendaagse internationale relations‑denkers (zoals Mearsheimer en Buzan) en verwijst naar Reinhold Niebuhr’s klassieke opvatting: wie moreel wil optreden, moet de kracht van eigenbelang begrijpen zonder die te vergoelijken — een bedachtzame, getemde realpoltik. Praktische diplomatie en institutionele werking hangen deels samen met bestaande machtsverhoudingen; instituties functioneren beter wanneer ze die realiteit weerspiegelen en zich daaraan aanpassen.
Als illustratie haalt de auteur de controversiële maar effectieve diplomatie van Konrad Adenauer aan: ondanks zijn minder aantrekkelijke kanten slaagde hij er in 1955 in via onderhandelingen met Moskou duizenden Duitse krijgsgevangenen vrij te krijgen. Dat voorbeeld toont aan dat engagement met tegenstanders concrete winst kan opleveren, ook al gaat het om moreel twijfelachtige partners.
De oproep aan het eind is helder en persoonlijk geformuleerd: nationaal en internationaal moeten we het alles‑of‑nietsdenken afleren en leren tevreden te zijn met kleine, haalbare successen. Net als de cognitieve gedragstherapie die Beck mede ontwikkelde, pleit de auteur voor het corrigeren van zwart‑witdenken op staatsniveau: niet opgeven van waarden, maar realistische, gedoseerde politiek die ruimte laat voor geleidelijke vooruitgang. Laat 2026 het jaar worden van “blij met een beetje”.