Biologische bestrijders op 94 procent van glastuinbouwareaal
In dit artikel:
Het CBS meldt dat in 2024 op 94% van het glastuinbouwareaal natuurlijke plaagbestrijders werden ingezet, nagenoeg gelijk aan 2020. De peiling betrof telers van onder meer komkommers, paprika’s, tomaten, aardbeien, gerbera’s, chrysanten, rozen en pot- en bladplanten; deze gewassen beslaan samen circa 70% van het totale glastuinbouwareaal (10.000 ha).
Hoewel het totaalpercentage stabiel bleef, werd een aantal typen bestrijders op flink meer oppervlakte gebruikt. Zo nam het gebruik van roofmijten en rooftripsen toe van 69% (2020) naar 84% (2024). Ook sluipwespen, galmuggen en roofwantsen/-vliegen/-kevers werden op grotere delen van het areaal toegepast. Nematoden (aaltjes) blijven het minst ingezet: circa 12% van het areaal.
Per gewas zijn er duidelijke verschuivingen: bij tomaten steeg het aandeel areaal met roofmijten en -tripsen het sterkst (van 18% naar 66%). Sluipwespen en galmuggen werden vooral meer gebruikt bij sierpotplanten (29% → 45%); bij chrysanten nam inzet van zowel sluipwespen (68% → 82%) als roofwantsen/kevers/gaas- en zweefvliegen sterk toe (10% → 44%).
Microbiologische middelen (bacteriën, schimmels, virussen) vormen een groen alternatief en worden op 67% van het glastuinbouwareaal tegen insecten gebruikt — het vaakst bij gerbera’s (90%), het minst bij komkommers (50%). Buiten de kas is hun toepassing veel lager; in de akkerbouw is dit gebruik het laagst, en bij fruit- en laanboomteelt ligt het tussen 10–25%. De cijfers wijzen op een duidelijke verschuiving richting duurzamere, biologische bestrijding in de glastuinbouw.