"Bijna iedereen betaalt te veel belasting": fiscalist pleit voor totale hervorming
In dit artikel:
De discussie over ongelijkheid draait vaak om hogere belastingen voor de rijken — recent pleitte econoom Gabriel Zucman bijvoorbeeld voor een extra heffing op ultrarijke vermogens — maar belastingonderzoeker Reinier Kooiman stelt in VPRO Tegenlicht dat die insteek het probleem miskent. Volgens hem is het huidige fiscale stelsel zelf een belangrijke motor achter vermogensongelijkheid: de manier waarop we belastingdruk meten (als percentage van inkomen) verbergt dat mensen met weinig vermogen relatief zwaarder worden geraakt wanneer belasting wordt afgerekend op hun middelen of bestedingen.
Kooiman illustreert zijn punt met een eenvoudig model — het “suikerklontjes”-voorbeeld: zonder belastingen groeien vermogen van arm en rijk en neemt de kloof af; zodra belastingen ingrijpen, lopen lagere vermogens precies hun buffer kwijt, terwijl hogere vermogens blijven groeien. Zijn conclusie is dat het systeem structureel bevoordeelt wie al veel bezit heeft.
Als oplossing stelt Kooiman radicaal voor om alle bestaande belastingen (inkomstenbelasting, btw, accijnzen, etc.) af te schaffen en te vervangen door één uniforme vermogensbelasting: hetzelfde tarief voor iedereen, geheven over wat iemand bezit. Volgens zijn berekeningen zouden zo’n 90 procent van huishoudens erop vooruitgaan omdat belastingen op inkomen en consumptie verdwijnen. Hij geeft een concreet voorbeeld van een stel met 100.000 euro inkomen dat nu circa 40.000 euro aan belasting betaalt; onder zijn systeem zou dat bij 200.000 euro vermogen neerkomen op ongeveer 16.000 euro.
Er zijn bezwaren: critici vrezen kapitaalvlucht, ontmoediging van sparen en problemen bij de overgang. Kooiman ontkent dat emigratie van kapitaal veel uitmaakt en zegt dat sparen niet wordt gestraft; voor de overgang pleit hij voor geleidelijke invoering met een laag beginpercentage dat langzaam oploopt. Hij erkent praktische uitdagingen en acht Europese invoering politiek waarschijnlijker dan nationale eenzijdige stappen.
Kortom: Kooiman draait het debat om — niet marktuitkomsten maar fiscale regels bepalen volgens hem wie rijk wordt — en pleit voor een eenvoudiger stelsel dat vermogen centraal zet. De ideeën roepen fundamentele discussies op over uitvoerbaarheid (waardering van bezittingen, liquiditeitsproblemen bij onroerend goed, handhaving) en politieke haalbaarheid, maar brengen een scherp ander perspectief in het ongelijkheidsdebat.