Bij het schaatsen in Thialf draait het allemaal om de 'matrix', maar hoe werkt die matrix eigenlijk?

dinsdag, 30 december 2026 (20:34) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Voor de Nederlandse schaatsploeg richting de Winterspelen in Milaan bepaalt niet alleen wie het snelst op het ijs is: ook een ogenschijnlijk saai document van de KNSB — de zogenoemde selectievolgorde, of ‘sevo’ — speelt een doorslaggevende rol. Die sevo is het resultaat van een prestatiematrix die emeritus hoogleraar Gerard Sierksma rond 2009 ontwierp en die sinds de aanloop naar Vancouver 2010 in gebruik is. De matrix stuurt simulaties op basis van internationale resultaten van ongeveer twee jaar terug en geeft per afstand een rangorde van rijders met de grootste medailekansen. De KNSB vertaalt die ideale selectie in een volgorde; de uitslagen op het Olympisch Kwalificatietoernooi (OKT), dit jaar op Tweede Kerstdag in Thialf, bepalen uiteindelijk wie die plaatsen daadwerkelijk krijgt.

De introductie van deze methode kwam nadat eerdere procedures als chaotisch en ondoorzichtig werden ervaren — toen was de toetsing nog deels in handen van een commissie, de beruchte ‘Jannen’. De matrix belooft twee duidelijke baten: meer rust en voorspelbaarheid voor schaatsers en trainers, en een OKT dat als scherp simulatiemoment voor de Spelen fungeert. Volgens KNSB-technisch directeur Remy de Wit heeft het systeem daarnaast geleid tot prioritering van afstanden waar Nederland de beste kansen heeft.

Tegelijk bestaan duurzame onvrede en problemen. De sevo weerspiegelt individuele prestaties in het recente verleden, maar die plekken kunnen op het OKT door anderen worden veroverd; dat leidt geregeld tot schrijnende gevallen van rijders die “plaats moeten maken”. Voorbeelden uit recente Spelen illustreren beide kanten: Bob de Vries won het OKT op de 5.000 m voor Pyeongchang en nam daarmee de plek in van Sven Kramer, maar presteerde op de Spelen teleurstellend; Margot Boer haalde daarentegen vanuit een relatief laag gerangschikte positie via een ongelijke verdeling van gekwalificeerde rijdsters alsnog olympisch brons in Sotsji. NRC’s analyse van de afgelopen vier Winterspelen laat zien dat rijders die in de top drie van de sevo stonden in driekwart van de gevallen op het podium belandden — de voorspellende waarde is dus aanzienlijk, vooral hoog in de lijst.

Toch is de causaliteit moeilijk te bewijzen: Sierksma waarschuwt dat je niet kunt aantonen dat de matrix zelf het succes heeft veroorzaakt, terwijl de KNSB stelt dat de methode juist meer medailles oplevert. Daarnaast bestaat politieke en sportieve discussie over directe aanstellingen: kampioenen als Kjeld Nuis pleitten onlangs publiekelijk voor het vooraf aanwijzen van toprijders (zoals Femke Kok) zonder dat zij het OKT hoeven te rijden. De regels bieden ruimte voor aanwijzingen na het OKT (maximaal drie mannen en drie vrouwen), vooral in uitzonderlijke gevallen zoals calamiteiten of voor teamdisciplines, maar dat gebeurt spaarzaam; toch heeft die mogelijkheid de indruk gecreëerd dat het model tegelijk rigide en flexibel is.

Financieel en organisatorisch speelt ook een rol: waar Sierksma aanvankelijk opperde dat selectiewedstrijden overbodig zouden zijn, koos de KNSB voor het OKT deels vanwege de publieke aandacht — alhoewel De Wit stelt dat het toernooi sporttechnisch de voorkeur kreeg en zelfs meer kost dan het oplevert. Iedere vier jaar laait de discussie weer op, vooral rond het fenomeen dat rijders met een hoge sevo-positie alsnog worden gepasseerd ten gunste van aanwijsplekken voor ploegenachtervolging of massastart. De KNSB en coaches geven deelnemers daarom telkens hetzelfde advies: concentreer je op het OKT — daar valt de beslissing.