Bij Edwards' graf: volg zijn vrome voetstappen

donderdag, 28 mei 2026 (19:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Op de begraafplaats van Princeton en over het universiteits­terrein ligt de Amerikaanse geschiedenis letterlijk uitgestald: graven, gebouwen en gedenkplaten vertellen over de stichters van de natie, kerkelijke leiders en wetenschappers — maar soms ook over een verontrustende erfenis van slavernij.

Wie hier rondloopt komt figuren tegen als predikant en hoogleraar Jonathan Edwards (1703–1758), wiens monument lofprijzingen in het Latijn draagt, en John Witherspoon, de Schotse presbyteriaan die als enige geestelijke een handtekening zette onder de Onafhankelijkheidsverklaring. Politieke kopstukken als president Grover Cleveland en vice­president Aaron Burr liggen eveneens op Princeton Cemetery. Naast Edwards is Samuel Davies begraven, een evangelist die in Virginia honderden slaven doopte en later Edwards opvolgde als president van de universiteit.

Princeton zelf heeft diepe wortels: de stad ontstond door Engelse Quaker-missionarissen, de universiteit dateert van 1756 en in 1812 werd er de eerste theologische hogeschool van de Amerikaanse Presbyteriaanse Kerk gevestigd. Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog eindigde de Slag bij Princeton op 3 januari 1777 in een belangrijke Amerikaanse overwinning; in 1783 fungeerde Nassau Hall — genoemd naar stadhouder Willem III — een tijdlang als regeringszetel toen Princeton korte tijd de hoofdstad was. Beroemde bewoners en bezoekers zijn onder meer Albert Einstein, die er zijn laatste jaren doorbracht en overleed, en Nederlandse theologen zoals Bavinck en Kuyper die er lezingen hielden.

De academische gebouwen ademen religieuze en intellectuele traditie: de achtkantige bibliotheek huisvest oude en moderne theologische werken — van Tyndale en Wycliffe tot Karl Barth en Dietrich Bonhoeffer — en in de grote gotische universiteitskapel uit 1928 zijn gedenktekens te vinden, waaronder een plaquette die herinnert aan een toespraak van Martin Luther King in 1960. In de kapel is een gebed voor de universiteit in de muur aangebracht; met circa 2000 zitplaatsen behoort de ruimte tot de grotere universiteitskapellen ter wereld, al zijn de kerkdiensten tegenwoordig niet meer verplicht en komen grote bijeenkomsten vooral bij academische ceremonies voor. Tot 12 juli is op de campus een tentoonstelling te zien over Princeton tijdens de Amerikaanse Revolutie, onder de titel “Nursery of Rebellion”.

Tegelijkertijd is er een opvallende confrontatie met het duistere hoofdstuk van slavernij. De voormalige Miller Chapel van het theologisch seminarie werd in 2022 hernoemd tot Seminary Chapel nadat studenten van kleur met een petitie, demonstraties en een ultimatum aandrongen op erkenning van de betrokkenheid van Samuel Miller bij slavenbezit; eerbewijzen voor hem werden afgedekt. Voor de voormalige presidentiële woning is een plaat geplaatst die meldt dat daar minstens zestien mannen, vrouwen en kinderen als slaaf hebben gewerkt — vaak zonder dat hun namen bekend zijn, al staan enkele namen wél vermeld. Deze ingrepen illustreren hoe Princeton zijn erfenis momenteel heroverweegt: het prestige van intellectuele en religieuze traditie wordt nu openlijk afgewogen tegen verantwoordelijkheid voor historisch onrecht.