Belandt de Wildervankster Paardentram in een museum? 'Geen vrijwilligers, geen tram. Zo simpel is het'
In dit artikel:
De Wildervankster Paardentram dreigt te stoppen omdat er te weinig vrijwilligers zijn en de gemiddelde leeftijd van de vrijwilligers stijgt. De tram, een in 1997 door vrijwilligers nagebouwde replica van het voertuig dat tussen 1880 en 1928 door de veenkoloniën reed, is sinds de viering van Wildervanks 350-jarig bestaan een vaste waarde in de regio. Drie keer per week haalt de tram bijvoorbeeld schoolkinderen op van basisscholen in Veendam en rijdt hij voor feesten, zorginstellingen en lokale evenementen zoals de carnavalsoptocht in Ter Apel en de lichtjesroute in Veendam.
Bestuursvoorzitter Klaas Brouwer en bestuurders zoals bestuurder Henk Ploeger (79) en Henk Mulder signaleren al langere tijd een terugloop in aanmeldingen. Vacatures staan al maanden online zonder resultaat. Een belangrijke drempel is dat bestuurders over een trekkerrijbewijs moeten beschikken — een bevoegdheid die vandaag de dag niet meer automatisch met het autorijbewijs wordt meegegeven — en dat voor doordeweekse ritten chauffeurs overdag beschikbaar moeten zijn. Tegelijkertijd neemt de vraag naar de tram toe; na een tv-optreden kwamen veel aanvragen binnen, soms zelfs van te ver weg (bijv. Veghel), maar die kan de stichting niet honoreren omdat ze geen dieplader heeft en de trekker daarvoor niet geschikt is.
Financieel draait de stichting kleinschalig: bedrijven betalen circa €75 per uur, scholen minder en zorgorganisaties mogen jaarlijks één rit gratis gebruiken. De opbrengsten dekken brandstof, onderhoud en verzekering. De vrijwilligers willen de tram niet commercieel exploiteren of professionele chauffeurs in dienst nemen omdat dat het oorspronkelijke doel — betaalbaar regionaal vervoer en beleving — ondermijnt. Blijft de instroom van vrijwilligers uit, dan zullen vaker aanvragen moeten worden afgewezen en dreigen op termijn de middelen voor onderhoud en verzekering weg te vallen; als uiterste optie overweegt het bestuur museale stalling.
Er is ook hoop: de jongste vrijwilliger, Henri Stevens (25), voelt zich persoonlijk verbonden aan de tram (opgezet door de zwager van zijn opa) en wil de traditie voortzetten. Hij rijdt nu vooral in het weekend, wil bestuurswerk gaan doen en hoopt paarden te kunnen inzetten zodat de tram vaker authentiek met paarden door de veenkoloniën kan rijden. Stevens benadrukt dat het behoud ervan afhankelijk is van nieuwe vrijwilligers: verdwijnt de tram uit beeld, dan is terughalen veel moeilijker.