Bavink en Bekker, Koekebakker - waarom is Nescio zo'n goede schrijver?

woensdag, 29 april 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

29 april 2026 — De columnist verbindt persoonlijke herinnering aan tram lijn 2 in Amsterdam met de literaire wereld van Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh, 1882–1961). In klassiekers als Titaantjes en Dichtertje gebruikt Nescio die tram als decor: kort maar raak schetst hij types en scènes — gewichtige heren, een statige jonge vrouw uit het Museumkwartier — en zo roept hij met een paar zinnen hele levens op. De auteur van het stuk, die zelf ooit uitstapte bij de Jacob Obrechtstraat, voelt trots dat zijn eigen tramlijn in zulke verhalen leeft.

Centraal staat Nescio’s stilistische kracht: hij schrijft in kleine, beeldende zinnen die meer schilderen dan verklaren. Dat levert herkenbare, scherp getekende details op — een overjas, een mof, een houding — waaruit karakters en sfeer als vanzelf ontstaan. Tegelijk toont Nescio’s proza een voortdurend spanningsveld tussen droom en realiteit. Zijn personages verlangen naar een vrij, misschien bohemien leven, maar botsen op het burgerlijke bestaan waarmee ze gevangen zitten.

De biografe Lieneke Frerichs (2021) wordt aangehaald om die dubbelheid te duiden: Grönloh zelf ervoer tegenstrijdige gevoelens en stond open voor momenten van bijna mystieke onvergankelijkheid. Die melancholie afgewisseld met plotselinge epifanieën is wat zijn werk zijn emotionaliteit en blijvende macht geeft — een zeldzame combinatie van ontwijkende bescheidenheid en diepe, kleine openbaringen over het menselijk verlangen.