Autopsie van de sloop van de westerse middenklasse

maandag, 24 augustus 2026 (08:48) - Indepen

In dit artikel:

Het artikel betoogt dat de westerse middenklasse sinds de jaren zeventig doelbewust is verzwakt door politieke keuzes, bedrijfsbelangen en de groeiende invloed van de financiële sector. In de naoorlogse periode, vooral tussen 1950 en 1970, stegen productiviteit en lonen grotendeels samen. Sterke vakbonden, publieke investeringen, progressieve belastingen en sociale wetgeving maakten opwaartse mobiliteit mogelijk. In de Verenigde Staten droegen onder meer de GI Bill en investeringen in infrastructuur en universiteiten daaraan bij; in Nederland wordt de sociale wetgeving van Willem Drees als belangrijk fundament genoemd.

Volgens het artikel is de verhouding tussen economische groei en werknemersinkomen daarna verbroken. Als illustratie wordt gewezen op de stijging van de Amerikaanse loonverhouding tussen topbestuurders en productiemedewerkers: van gemiddeld 21 keer het werknemerssalaris in 1965 naar 399 keer nu. Ook wordt gesteld dat een modaal Amerikaans gezin in 1971 met één inkomen een huis en auto kon betalen, terwijl huishoudens tegenwoordig vaak twee inkomens nodig hebben om een vergelijkbare levensstandaard te benaderen.

De omslag zou volgens de documentaire en de auteur zijn voorbereid door het Powell Memorandum uit 1971. Daarin riep jurist Lewis Powell het bedrijfsleven op om langdurig invloed uit te oefenen op economisch beleid. Dit leidde volgens het artikel tot meer bedrijfsfinanciering van denktanks en lobby’s en tot de neoliberale koers van Ronald Reagan en Margaret Thatcher. De ideeën van Milton Friedman, waarbij winstmaximalisatie centraal staat, zouden de koppeling tussen bedrijfswinsten en hogere lonen verder hebben losgemaakt.

Nederlandse cijfers van Rabobank worden aangehaald om de gevolgen te onderbouwen. Sinds 1977 is het besteedbare inkomen per inwoner veel minder gegroeid dan de economie, terwijl het aandeel van huishoudens in het nationale inkomen daalde. Multinationals zagen hun aandeel juist toenemen. Tegelijk verschoof de economie volgens het artikel van productie naar financiële dienstverlening. Door de zogenoemde aandeelhouderswaarderevolutie werden bestuurders sterker beloond met aandelenopties, waardoor zij vooral op korte termijn hogere winsten en beurskoersen zouden nastreven.

De verplaatsing van productie naar Oost-Europa en China wordt in het artikel daarom niet alleen als gevolg van globalisering gezien, maar ook als middel om aandeelhoudersrendement te verhogen. Banen en inkomens verdwenen, waarna schulden de rol van loon overnamen. Ook de woningmarkt zou zijn gefinancialiseerd: de verhouding tussen huizenprijzen en inkomens steeg volgens aangehaalde cijfers van ongeveer vier à vijf keer het jaarsalaris in de jaren negentig naar acht à tien keer tegenwoordig.

De auteur verbindt deze ontwikkeling aan een sterke vermogensconcentratie. De rijkste 10 procent in de EU bezit volgens de aangehaalde bron bijna 60 procent van het vermogen. De financiële crisis van 2008 geldt als een belangrijk voorbeeld: banken werden met publiek geld gered, terwijl verliezen bij belastingbetalers en huishoudens terechtkwamen. Het artikel concludeert dat de middenklasse niet vanzelf is verdwenen, maar door opeenvolgende beleidsbesluiten is uitgehold. Het pleit voor een politieke koerswijziging die de macht van superrijken, multinationals en financiële instellingen beperkt en noemt onder meer het nieuwe box 3-stelsel en hogere erfbelasting als verdere bedreigingen.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Komt er een boek over Valentijn Driessen?