Augustinus spreekt vaak over het geestelijke Israël als "het ware Israël"
In dit artikel:
De auteur betoogt dat Augustinus in zijn geschriften geen algemeen herstel van het Joodse volk voorziet. In boek 20 van *De stad van God* schrijft Augustinus dat Joden zich in de eindtijd door de teruggekeerde profeet Elia tot Christus zullen bekeren. Het gaat volgens hem echter om Joden die Jezus als Messias erkennen, niet om Israël als geheel. Het ‘ware Israël’ bestaat bij Augustinus uit alle gelovigen uit alle volken.
Daarom vindt de auteur het misleidend om Augustinus’ verwijzing naar Romeinen 11:1 — „Heeft God Zijn volk verstoten?” — uit zijn bredere werk te lichten. Die passage komt in het omvangrijke oeuvre van Augustinus slechts enkele keren voor en wordt nergens gebruikt om te stellen dat het letterlijke Israël nog steeds Gods volk is. In andere werken, zoals *Over de gave van de volharding*, zijn *Uitleg van de Psalmen* en het *Onvoltooide werk tegen Julianus*, is de context volgens de auteur juist weinig positief over een toekomstige bekering van het Joodse volk.
Een bredere bestudering van Augustinus’ teksten levert bovendien een uitgesproken negatief beeld op. Hij noemt Joden onder meer blind, koppig en razend en beschuldigt hen ervan Christus te hebben gearresteerd, gekruisigd en gedood. In preken rond de Veertigdagentijd en Pasen gaat hij volgens de auteur soms verder dan de Bijbeltekst zelf. Ook over Joodse tijdgenoten in Noord-Afrika schrijft Augustinus vrijwel uitsluitend negatief.
Toch wil de auteur Augustinus niet zonder meer als antisemitisch bestempelen. Wel benadrukt hij dat diens houding tegenover Joden ernstig problematisch is en niet kan worden verdoezeld door één hoopvol klinkende passage uit Romeinen 11.
Vandaag Inside: Xavi Hernández over speelstijl Oranje onder zijn leiding: 'Dat kan ik beloven'