Augustinus bleef oog houden voor het letterlijke Israël
In dit artikel:
De auteur weerspreekt de opvatting dat Augustinus een hekel had aan het Joodse volk. Hoewel de kerkvader zich soms scherp uitlaat over Joden die Christus afwijzen, moet dit volgens hem worden gezien binnen de polemische stijl van de late oudheid. Augustinus gebruikte vergelijkbaar harde taal tegen andere tegenstanders, zoals de manicheeërs. Zijn doel was niet het Joodse volk af te schrijven, maar iedereen tot het geloof in Christus te brengen.
De auteur baseert zijn visie op een hernieuwde bestudering van Augustinus’ werken. Daaruit blijkt dat Augustinus zich juist afzette tegen de manicheeërs, die ontkenden dat Israël Gods volk is. In zijn uitleg van Romeinen 11:1-2 hield hij vast aan de gedachte dat God zijn volk niet heeft verstoten en daarmee het letterlijke volk Israël bedoelde. Volgens de auteur zijn hiervan niet slechts acht, maar minstens negentien vindplaatsen in Augustinus’ Latijnse teksten te vinden, verspreid over zijn vroege en latere werken.
Augustinus zag het geestelijke Israël als het volk van God waarin Joodse en niet-Joodse gelovigen samenkomen. Dat betekent volgens de auteur echter niet dat het letterlijke Israël zijn betekenis verloor. In De stad van God schrijft Augustinus dat gelovigen uit de heidenen worden toegevoegd aan de ware Israëlieten: mensen die zowel naar afkomst als naar geloof Israëliet zijn.
Het belangrijkste bewijs voor Augustinus’ positieve houding tegenover het Joodse volk is volgens de auteur zijn verwachting van hun uiteindelijke bekering. In De stad van God en verschillende preken spreekt Augustinus de hoop uit dat Joden Gods wet zullen begrijpen en in Christus zullen geloven. De auteur pleit daarom voor verder onderzoek naar deze onderbelichte kant van Augustinus’ theologie.
Vandaag Inside: Welk moment gaat vannacht door het hoofd van Mexx Meerdink? 'Wat denk je zelf?'