Astrofysicus Heino Falcke: 'Er zijn fundamentele grenzen van wat wij kunnen weten in de fysica. Dan kom ik uiteindelijk bij God uit'
In dit artikel:
Heino Falcke (1966), hoogleraar astrofysica aan de Radboud Universiteit en predikant in Frechen (bij Keulen), verzoent in zijn werk en leven wetenschappelijke precisie met religieuze overtuiging. In een gesprek thuis — met een door hem gebruikte schoolexperiment over de regenboog als voorbeeld tijdens zijn preek — legt hij uit hoe hij natuurkundige inzichten en bijbels geloof als elkaar aanvullend ervaart. Zijn centrale beeld is duidelijk: “God is, analoog aan de oerknal, het beginpunt waar alles uit voortkomt.” God is voor hem geen abstracte hypothese maar de ultieme oorsprong die de grenzen van de natuurkunde overstijgt.
Falcke staat internationaal bekend om zijn onderzoek naar zwarte gaten en het heelal; hij won onder meer de Spinozaprijs en leidde als deel van het Event Horizon Telescope-team het project dat op 10 april 2019 de eerste foto van een zwart gat publiceerde — een mijlpaal die door miljarden mensen werd gezien. Die ervaring illustreerde voor hem het samenvallen van berekening en verwondering: theorie en waarneming bevestigden elkaar en gaven een intens gevoel van inzicht.
Zijn lezing van Genesis gebruikt hij als een serieuze, niet letterlijk-lineaire verklaring voor het ontstaan: de “zes dagen” zijn volgens hem vormen van samenhangende tijdseenheden — akten in een toneelstuk — en niet noodzakelijk 24-uursdagen. Hij combineert bijbelse beelden met kosmologische tijden en processen: van de onmiddellijke chaos rond de oerknal tot de langzame ontwikkeling van sterren, planeten en de mens. Tegelijk erkent hij dat er fundamentele grenzen zijn aan wat de natuurkunde kan verklaren; waar die grenzen liggen, ziet hij ruimte voor het begrip God als ultieme verklaring en waarheid.
Falcke plaatst zijn eigen positie in een bredere historische traditie: van Galileo, die wetenschap en religie op gespannen voet zag door machtsconflicten, tot Einstein, die worstelde met onzekerheid maar een diep religieus gevoel kende over de orde van het universum. Zelf zoekt Falcke niet per se naar het complete “rekenbaar” maken van het ultieme geheim, maar vindt veel waarde in het begrijpen en de vooruitgang van geleidelijk inzicht. Zijn lopende onderzoek omvat onder andere Hawking-achtige effecten en de zoektocht naar een verenigende theorie tussen kwantummechanica en relativiteit — en hij werkt aan een nieuw telescoopproject in Namibië dat de Melkweggunstigheid van dat observatiepunt benut.
Over thema’s als het hiernamaals en het kwaad houdt Falcke een genuanceerde positie. Zwarte gaten noemt hij letterlijk “eindpunten” van ruimtetijd, en hij bespreekt de metafoorische verwantschap met ideeën over een hiernamaals, zonder de bijbelse beelden van hel en vagevuur letterlijk te maken. Kwaad ziet hij niet als een natuurkundige eigenschap, maar als een uitkomst van menselijke macht en keuzevrijheid: zonder de mogelijkheid tot kwaad zou morele keuze betekenisloos zijn. Moraliteit plaatst hij in een evolutionair en cultureel perspectief — kennis en schaamte speelden een rol in de menselijke ontwikkeling — en hij koppelt die ontwikkeling aan de sociale noodzaak om samen te werken en te anticiperen op veranderende omstandigheden.
Klimaatverandering noemt hij een concreet voorbeeld van menselijk handelen met grote gevolgen: we veranderen de atmosfeer en daarmee de levensomstandigheden op aarde. Hoewel hij sceptisch is over apocalyptische doemscenario’s dat de mens de planeet volledig kan vernietigen, waarschuwt hij dat onze civilisatie ernstig kan worden aangetast en dat verantwoordelijkheid, technologische oplossingen en hoop nodig zijn. Ook AI relativeert hij: geen mystieke overname, maar een krachtige rekenmachine die zowel risico’s als kansen biedt.
Falcke combineert in zijn publieke rol wetenschappelijke uitleg met pastorale zorg: hij gebruikt natuurverschijnselen (zoals de regenboog) om theologische boodschappen toegankelijk te maken en pleit voor zorg voor de schepping, morele keuzevrijheid en vertrouwen in iets hogers. Zijn verhaal is dat wetenschap en geloof elkaar niet uitsluiten maar verschillende vormen van verwondering en inzicht bieden — de één zoekt verklaringen binnen de grenzen van toetsbare theorieën, de ander geeft richting en betekenis waar die grenzen eindigen.