Astrid Ritskes maakt kunstwerkjes van de krantenkoppen in Trouw
In dit artikel:
Astrid Ritskes (58) uit Amersfoort — die zich ook Mevrouw R. noemt — maakt sinds 14 oktober 2020 elke dag een krantenkoppen‑knipselgedicht. Haar werk bestaat uit een korte zin die ze samenstelt uit losse woorden uit koppen van de krant Trouw, geplakt op een geel A4‑velletje en aangevuld met een eenvoudige pentekening. Het dagelijkse ritueel begint bij het lezen van de krant; ze knipt altijd het rechterbovenhoekje van pagina 3 met datum uit, selecteert aansprekende koppen, knipt die in stukjes en schuift met de overgebleven woorden tot er een nieuwe, vaak sprekende combinatie ontstaat.
Ritskes werkt in haar atelierwoning in Amersfoort en combineert dit project met haar baan als docent aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze slaat geen dag over: als ze door ziekte of lessen achterligt maakt ze meerdere stukjes op één dag om de draad weer op te pakken. Dit najaar vierde ze haar vijfjarig jubileum; Trouw vroeg haar om twaalf werken uit 2025 te kiezen die gevoel hebben bij het jaar, als een alternatief jaaroverzicht — al benadrukt Ritskes dat haar werk niet primair over actualiteit gaat.
Het onderwerp van haar knipsels is het alledaagse menselijk leven: kleine verlangens, ongemakken, het geploeter van alledag. Ze noemt het een oefening in “de kunst van de imperfectie” — met minimale tekst en simpele tekening probeert ze zoveel mogelijk te zeggen, en accepteert wisselende resultaten. Haar werk functioneert ook als een persoonlijke vorm van verzet: tegen de druk tot perfectie en tegen afgebakende bubbelnormen. “Dit is mijn vorm van verzet,” zegt ze.
Thematisch tekent Ritskes vooral vrouwen en meisjes — bewust, omdat die groep volgens haar nog altijd zwaar onder druk staat — en soms mannen die er niet goed van afkomen. Sommige knipsels verwijzen naar actuele vraagstukken, zoals samenleven in onzekere tijden, maar vaker zijn het observaties die dicht bij huis liggen: ongemak op een feestje, eenzaamheid, of alledaagse trots en teleurstelling. Ze vergelijkt zichzelf in haar aandacht voor menselijke trekjes met de overleden tekenaar Peter van Straaten, die ook het menselijke in beeld ving.
Recyclen en hergebruik zijn terugkerende elementen in haar werk en atelier. Niet alleen de krant krijgt een tweede leven; gevonden schilderijtjes, oude foto’s en familiekabinetten worden opnieuw samengesteld in collages. Haar atelier is gevuld met curiositeiten — een kabinet vol spullen dat ze van haar moeder erfde noemt ze een ‘onuitputtelijk rariteitenkabinet’. Ritskes’ jeugd als punker beïnvloedt nog steeds haar voorkeur voor baldadige energie; ze hoopt op een soort punkrenaissance om dingen weer in beweging te zetten, maar blijft zelf vooral tekenen als protest.
De term ‘gedicht’ gebruikt ze omdat het associatieve proces van het samenstellen van woorden vaak iets poëtisch oplevert: ze weet nooit van tevoren wat er zal ontstaan, en vertrouwt op dat niet‑weten. Daarmee vormen haar krantenknipsels een dagelijks, persoonlijk commentaar op cultuur en menselijk gedrag — klein van formaat, maar consequent en doordacht van bedoeling.