Artikel 1 van Grondwet mag niet heersen over vrijheid van godsdienst en onderwijs

donderdag, 18 december 2025 (08:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

De auteur waarschuwt dat in Nederland artikel 1 (verbod op discriminatie) steeds vaker als doorslaggevend en boven andere grondrechten geplaatst wordt, met name in het debat over scholen met een religieuze identiteit. Recent sprak de Tweede Kamer uit dat scholen ruimte mogen hebben voor hun eigen identiteit, mits die ruimte niet leidt tot uitsluiting of aantasting van vrijheid, gelijkwaardigheid of veiligheid van leerlingen. Volgens de schrijver illustreert die formulering een bredere kentering: het gelijkheidsbeginsel wordt vaker voorgesteld als het ultieme criterium, terwijl de grondwetgever juist heeft beoogd dat grondrechten onderling gelijkwaardig zijn en iedere keer afgewogen moeten worden.

Historische en juridische context: bij de herziening van de Grondwet (1983) en in latere nota’s is expliciet gesteld dat er geen rangorde tussen grondrechten bestaat. Artikelen 1, 6 (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging) en 23 (vrijheid van onderwijs) vormen samen een stelsel waarin conflicten in concrete gevallen zorgvuldig moeten worden gewogen. De auteur signaleert dat deze praktijk in het publieke debat aan het verschuiven is; waar eerder beredeneerde ruimte werd toegestaan voor gewetensbezwaarden of religieuze instellingen, wint nu steeds vaker het gelijkheidsargument.

Gevolgen: als artikel 1 systematisch gebruikt wordt om afwijkende levensbeschouwingen en onderwijsvormen naar één maatschappelijk model te dwingen, verliest het zijn beschermende functie voor minderheden. In plaats van een schild tegen overheidsmacht wordt het dan een instrument om afwijking te begrenzen. Dat raakt direct rechten van ouders en leerlingen die bewust kiezen voor religieus onderwijs en ondergraaft de verscheidenheid die artikelen 6 en 23 beogen te waarborgen.

Politieke paradox en rechtsbescherming: opvallend is dat liberale partijen vaak vooroplopen in deze ontwikkeling, wat volgens de auteur haaks staat op het klassieke-liberale idee dat vrijheden juist bescherming moeten bieden aan andersdenkenden. Sommige betrokkenen hopen op herstel via het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, maar de auteur waarschuwt dat het Hof terughoudend is geweest met het opleggen van positieve verplichtingen aan staten om godsdienstige bezwaren actief te faciliteren; vaak blijft het bij negatieve verplichtingen (niet belemmeren).

Slotboodschap: in een pluriforme samenleving vergt omgang met grondrechten behoedzaamheid en evenwicht. Grondrechten zijn geen piramide met één superrecht, maar een stelsel van wederzijdse begrenzing dat ruimte schept voor uiteenlopende levensopvattingen — juist ook voor minderheden die afwijken van de maatschappelijke hoofdstroom. De auteur is senior jurist bij de Rijksoverheid en schreef over de verhouding tussen artikel 1 en artikel 6.