Arno van Kessel verlaat donderdag gevangenis in Vught

vrijdag, 20 februari 2026 (18:17) - De Andere Krant

In dit artikel:

Bij de derde pro-formazitting in de zogenaamde Barracuda-zaak stond vooral tweeërlei ter discussie: hoe ver het strafonderzoek gevorderd is en of de verdachten, die al ruim acht maanden in voorarrest zitten, dat nog moeten blijven afwachten. De zaak draait om een groep verdachten — onder wie oud-advocaat Arno van Kessel, Harm S. en anderen — die door het Openbaar Ministerie worden verdacht van betrokkenheid bij voorbereidingen van een aanslag rond de NAVO-top in Den Haag. De zitting vond plaats in februari 2026; de start van het onderzoek liep op na een afgeluisterd autogesprek van 6 mei en een anonieme tip.

Het OM had eind vorig jaar gehoopt het einddossier eind winter/begin voorjaar 2026 te kunnen opleveren, maar tijdens de zitting bleek die inschatting te rotsen op onvoorziene problemen. Vanwege de grote hoeveelheid documenten die van de vroegere advocaat zijn weggehaald, moet telkens worden beoordeeld of materiaal valt onder het verschoningsrecht van de advocatuur. Dat vertraagt onderzoeken aanzienlijk. Verdedigers schatten nu in dat het wellicht nog een jaar kan duren voordat de zaak inhoudelijk voor de rechter komt, wat de vraag oproept of langdurig voorarrest nog proportioneel is.

Een opvallende individuele ontwikkeling was dat verdachte Harm S. recent geschorst is (een uitzonderingspositie wegens “bijzondere omstandigheden”) en de zitting in de publieke tribune bijwoonde. Voor de overige vijf verdachten, waaronder Van Kessel, handhaafde het OM het beeld van “ernstige bezwaren”. Tegen Van Kessel werd nieuwe bewijslast aangevoerd, zoals een vermeende “vliegtuigbom” die in zijn woning zou zijn gevonden; volgens familiebetrekking ging het echter om een onschadelijk gemaakte oefenmortier die al jaren in een verhuisdoos lag. Verdediging en familie bestreden de interpretatie krachtig en bespotten het OM-bewijs als ongeloofwaardig.

De rol en betrouwbaarheid van de anonieme tipgever Tilasmi F. ligt daarnaast zwaar onder vuur. Hij bracht de zaak op gang en leverde volgens het OM ook aanvullende aanwijzingen, waaronder beschuldigingen dat Van Kessel dodelijke ricine-pijltjes zou hebben willen inzetten tegen undercoveragenten. Tegenstanders wijzen erop dat F. in het openbaar heeft verklaard wrok tegen Van Kessel te koesteren, wat zijn geloofwaardigheid ondermijnt.

De inhoud van het beruchte autogesprek vormt nog altijd het zwaartepunt van het dossier. In de opname bespreken de mannen uiteenlopende maatschappelijke thema’s, complottheorieën en voorbeelden uit de geschiedenis van de IRA; in de terugweg zijn er ook bedenksels over hoe je met weinig inspanning veel impact kunt bereiken. Het OM ziet het gesprek als bewijs van een conspiratie richting een aanslag op de NAVO-top. Critici noemen het een informeel, vaak denigrerend en deels hypothetisch gesprek tussen bezorgde burgers, niet het concrete beraad dat tot een aanval had moeten leiden. Sinds de aanhoudingen (36 dagen na die rit) zijn al drie verdachten vrijgesproken en is bij Van Kessel geen wapenschat gevonden.

Ook de omstandigheden van de gedetineerden werden tijdens de zitting relevant: Van Kessel en medeverdachte Ritske B. zitten in voorarrest op de terroristenafdeling van Penitentiaire Inrichting Vught en delen dagelijkse routines met veroordeelde jihadisten. Van Kessel schreef aan zijn advocaat over bedreigingen en voortdurende spanningen na conflicten over bijvoorbeeld een kerstboom; hij verzoekt om aangifte te doen wegens bedreiging met zwaar lichamelijk letsel. Dat het voorarrest in zulke omstandigheden plaatsvindt, versterkt bij verdediging en familie de urgentie van herbezinning.

Na ruim twee uur beraad oordeelde het drie-rechterscollege dat de voorlopige hechtenis van alle verdachten geschorst moest worden, mede vanwege de traagheid van het OM-onderzoek. De verdachten worden per donderdag vrijgelaten, maar onder strenge voorwaarden: elektronische enkelband, reisbeperkingen en verboden om te oproeien of contact te zoeken met bepaalde personen.

Kortom: de Barracuda-zaak staat onder druk door schijnbaar opgerekte bewijsvoering, de afhankelijkheid van een twijfelachtige tipgever en juridische complicaties rond vertrouwelijke advocatendocumenten. De recente vrijlating onder voorwaarden brengt voor de betrokkenen onmiddellijke verlichting, maar tegelijkertijd blijft onduidelijk wanneer en met welk dossier de zaak stoffelijk inhoudelijk zal worden vervolgd. Voor de buitenstaander roept het proces tevens vragen op over de balans tussen veiligheidspolitie en rechtsstatelijke waarborgen bij langdurig voorarrest.