Arno van Kessel na acht maanden Vught: mijn arrestatie was een doelbewuste poging om me uit te schakelen
In dit artikel:
Voormalig advocaat Arno van Kessel vertelt hoe hij ruim acht maanden vastzat op de terroristenafdeling van PI Vught en wat dat met hem deed: arrestatie in alle vroegte op 11 juni vorig jaar door een antiterreureenheid, daaropfolgende overbrenging naar Leeuwarden en daarna langdurige voorarrest op de terroristenafdeling. Van Kessel zegt dat hij sindsdien kampt met posttraumatische stressklachten, stressreuma en chronische slaapproblemen; nachtelijke controles in de cel blijven hem achtervolgen. Ondanks de fysieke en psychische tol benadrukt hij: “Ik ben beschadigd, maar geestelijk niet gebroken.”
De aanleiding van zijn arrestatie ligt volgens hem in de civiele bodemprocedure die hij samen met advocaat Peter Stassen indiende, enkele uren vóór zijn aanhouding. In dat stuk stellen zij dat covid‑vaccins als biowapen kunnen worden aangemerkt en noemen zij onder meer de Nederlandse Staat, oud‑premier Mark Rutte, voormalig minister Hugo de Jonge en Bill Gates als gedaagden. Van Kessel vermoedt dat zijn detentie bewust werd ingezet om die rechtszaak te neutraliseren; het Openbaar Ministerie ziet hem als verdachte in de zogenaamde Barracuda‑zaak, een onderzoek naar een vermeend netwerk dat rond de NAVO‑top in Den Haag geweld of aanslagen zou hebben willen plegen.
Van Kessel bestempelt die verdenking als “ridicuul” en stelt dat zijn methoden altijd juridisch waren: “onze arena was de rechtsstaat, niet de straat of het geweld.” Wel erkent hij dat een afgeluisterd autoritje op 6 mei vorig jaar, waarin gefrustreerde en hypothetische uitlatingen over bijvoorbeeld een autobom en schoten vielen, zwaar tegen hem werkt. Hij noemt die woorden later “dom” en immoreel, maar betoogt dat het bleef bij frustratiepraat zonder concrete plannen en dat de context door het OM is weggelaten om hem als spil te kunnen presenteren.
In Vught beschrijft hij strikte isolatie (tot 23 uur per dag) en het besef dat terrorismeverdachten onder verruimde wetgeving tot twee jaar in voorlopige hechtenis kunnen verblijven zonder inhoudelijke behandeling — iets wat zijn vertrouwen in een snelle rechtsgang heeft ondermijnd. Een dieptepunt was volgens hem de samenplaatsing in december 2025 met veroordeelde jihadisten in een pilotgroep: een conflict dat escaleerde tot bedreigingen en verwijdering van messen uit de keuken. Voor Van Kessel illustreert dit de ongerijmdheid van zijn plaatsing tussen veroordeelden met een geweldsverleden.
Hij maakt wel onderscheid tussen het systeem en individuele cipiers: die laatste krijgen waardering omdat ze actief medische zorg bepleitten en zijn verblijf menselijker maakten. Zijn kritiek richt zich vooral op justitie en bestuurlijke top: volgens hem misbruikt het OM terrorismebevoegdheden om langdurige opsluiting, vertraagde procedures en beïnvloeding van de publieke opinie mogelijk te maken.
Van Kessel blijft gedreven door de patiëntenverhalen die hem motiveerden om de civiele procedure te starten — met name het verhaal van een verpleegkundige die na vaccinatie ernstig ziek werd en euthanasie koos — en spreekt van grootschalige misleiding en zelfs ‘genocide’ waarvoor verantwoordelijken moeten worden aangesproken. Zijn christelijk geloof, dat tijdens de coronaperiode ontstond en hem in detentie steun bood, speelt een centrale rol; hij verwerkte bewust Bijbelse elementen in de processtukken om gewetensvragen op te roepen bij beklaagden en rechters.
Thuis herstellend en met zijn juridische team voorbereidend op verdere verdediging, houdt Van Kessel vast aan zijn onschuld en de overtuiging dat de aanklachten geen stand zullen houden. Hij ziet zijn detentie als bevestiging dat hij een gevoelig punt heeft geraakt en gelooft dat “de waarheid zal aan het licht komen.”